Oan
Provinsjale Steaten
|
Gearkomste : |
|
|
Beliedsmêd : |
|
|
Utstel : |
Wijziging Bestuursovereenkomst rijk-regio inzake Zuiderzeelijn |
|
Team : |
|
|
Registraasjenûmer : |
|
|
Primêr Nûmer : |
|
1.
Inleiding
Het voortbestaan van het project Zuiderzeelijn is lange tijd onzeker geweest.
Nadat in juni 2002 bijna een akkoord was bereikt over de bestuursovereenkomst die de grondslag legt onder de gezamenlijke aanpak door rijk en regio, raakte het project in een impasse. Wel werd de overeenkomst toen in de raden en staten van de regionale partijen behandeld en in grote lijnen goedgekeurd, een definitieve standpuntbepaling door het Kabinet bleef uit. Oorzaak was de kabinetswisseling in de zomer van 2002.
In het regeerakkoord van het kabinet Balkenende I werd vastgelegd dat het streven bleef gericht op realisering van de Zuiderzeelijn, maar daar werd bij aangetekend dat van rijkszijde een stringenter regime ten aanzien de financiële bijdrage en de risico’s zou worden gehanteerd.
In het najaar van 2002 kwamen de onderhandelingen over de bestuursovereenkomst (BOV) opnieuw op gang, echter door de val van het Kabinet Balkenende I werden die even zo snel weer afgebroken.
Het heeft vervolgens tot april 2004 geduurd alvorens het kabinet Balkenende II het licht op groen zette voor de hervatting van het overleg met de regio. Dat gebeurde overigens in het kader van de presentatie van de Nota Ruimte, waarmee het project Zuiderzeelijn meer en meer wordt verbonden.
In de herfst van 2003 is namelijk op initiatief van het Kabinet onderzocht of en hoe de Zuiderzeelijn een rol kan spelen in de oplossing van de ontsluitingsproblematiek van de Noordvleugel van de Randstad, zich met name toespitsend op de bereikbaarheid van een (groeiend) Almere. Een alternatief tracé van de Zuiderzeelijn via het IJmeer, naast de basisvariant via de Hollandse Brug is daarmee prominenter in beeld gekomen. In de nu voorgelegde nieuwe bestuursovereenkomst tekent de connectie tussen Zuiderzeelijn en Noordvleugel zich duidelijk af.
Sinds juni 2002 is ook in Fryslân het een en ander gepasseerd. In het Bestuursakkoord 2003-2007 is vastgelegd dat in onze provincie een bevolkingsraadpleging zal plaatsvinden over de wenselijkheid van de aanleg van de (verschillende varianten van de) Zuiderzeelijn.
In een Plan van Aanpak Voorlichting en Raadpleging Magneetzweeftrein, dat in mei 2003 door uw staten is vastgesteld, zijn de lijnen voor de raadpleging uitgezet.
Leek de bevolkingsraadpleging aanvankelijk een louter Friese aangelegenheid, in de loop van 2003 hebben ook onze partners in de Stuurgroep Zuiderzeelijn geopteerd voor een raadpleging in de gehele ZZL-regio. Wij hebben u in een brief van 24 oktober 2003 meegedeeld dat de Friese raadpleging enerzijds een onderdeel zal vormen van de regionale aanpak, maar anderzijds zal zijn toegesneden op de specifieke Friese voornemens zoals die zijn neergelegd in het bestuursakkoord. Een en ander brengt een aantal wijzigingen mee van het bovengenoemde Plan van Aanpak. Daartoe is in dit statenvoorstel een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen.
In de bijgevoegde brief d.d. 9 juni 2004 van de Stuurgroep Zuiderzeelijn gaat de stuurgroepvoorzitter puntsgewijs in op het onderhandelingsresultaat en doet hij een aantal aanbevelingen. In de brief komen alle verschillen met de concept-overeenkomst van 10 juli 2002 aan de orde.
De Stuurgroepbrief bevat waardevolle informatie die bij de beoordeling kan worden betrokken. Dat maakt het ook mogelijk ons in dit statenvoorstel te beperken tot de hoofdzaken die specifiek voor onze provincie van belang zijn. Op die onderdelen is het statenvoorstel zelfstandig leesbaar.
Ook wij spitsen de beschouwingen toe op de punten in de nieuwe overeenkomst die afwijken van de overeenkomst van 2002. Evenwel, waar sprake is van gewijzigde “omgevingsfactoren” die aanleiding zou kunnen geven tot een andere afweging dan in 2002 is gemaakt, gaan wij daar uiteraard op in.
Bij de voorbereidingen van de nieuwe overeenkomst hebben wij nadrukkelijk aandacht besteed aan de voorwaarden die PS in 2002 hebben verbonden aan hun instemming. Wij kunnen constateren dat er wat dat betreft resultaat is geboekt. De voorwaarden van 2002 komen hieronder nog expliciet aan de orde.
In de afweging die nu opnieuw aan de orde is, komt het onmiskenbare belang van de Zuiderzeelijn voor onze provincie wederom een zwaar gewicht toe. Niet voor niets is jarenlang geijverd voor een snelle ov-verbinding via de kortste route naar de Randstad. Leeuwarden krijgt (als niet aan de lijn gelegen halteplaats) een solide positie in het project, Drachten krijgt een treinverbinding met de rest van het land, de geografisch-strategische positie van Heerenveen wordt verder versterkt. Die pluspunten, maar met name ook de economische impuls die uitgaat van de Zuiderzeelijn voor Fryslân en het Noorden zijn de voornaamste redenen geweest om in 2002 een zeer omvangrijke financiële bijdragebeschikbaar te stellen. En die argumenten gelden nog steeds.
Wij vinden de techniek waarvan de verbinding zich bedient niet een doorslaggevend punt. Maar aan de onderscheiden technieken zijn verschillende reissnelheden verbonden en die zijn weer bepalend voor de economische effecten. Dat was in 2002 de reden alleen voor de MZB een bijdrage ter beschikking te stellen en dat beginsel geldt in 2004 nog steeds. Een keuze voor een andere optie, bijvoorbeeld de Intercityvariant, is nu niet aan de orde. De prijsvraagprocedure is alleen op de twee snelle technieken van toepassing. Terugvalopties komen daardoor pas in beeld als de prijsvraag, bijvoorbeeld door een te krap budget, geen passende aanbiedingen oplevert.
Maar ook andere elementen komen in aanmerking om in de afweging te worden meegenomen. Alvorens een eindconclusie te trekken, gaan wij hieronder in op de belangrijke wijzigingen in de overeenkomt en op de veranderingen van de context waarbinnen de afweging moet worden gemaakt.
2.
De Regionale en de Friese bijdrage
In de bepalingen over de omvang van de regionale bijdrage is geen verandering gekomen. Dat betekent dat de prijsvraagprocedure van start kan gaan met een regionale bijdrage van
€ 1,02 miljard voor de magneetzweeftrein en € 0,23 mrd voor de HSL, beide prijspeil 2002, netto contante waarde 2010).
Wederom is bepaald (nu in art. 2.4) dat partijen zich zullen inspannen om met de Noord-Hollandse partijen afspraken te maken over de uitvoering van het project, inclusief een financiële bijdrage. Over die passage is in het statenbesluit van 2002 een voorwaarde gesteld, inhoudende dat de eventuele bijdrage van de Noord-Hollandse partijen voor een deel in mindering moet komen op de bijdrage van de “stuurgroeppartijen”. Zoals verderop nog aan de orde zal komen, is de bijdrage van de Noord-Hollandse partijen nu in artikel 12.6 explicieter dan in 2002 gerelateerd aan de duurdere IJmeervariant. Wij hebben moeten constateren dat een overheveling van middelen van de Noord-Hollandse partijen naar de stuurgroeppartijen geen reële optie is.
De gevraagde bijdrage van onze provincie voor de MZB/MZM bedroeg en bedraagt € 200 miljoen (pp 2002, NCW 2002).
NB: In 2002 hebben alle regionale partijen hun bijdragen uitgedrukt in prijspeil 2002, Netto Contante Waarde 2002. Gebleken is dat daardoor toch de nodige verwarring is ontstaan, met name omdat de bijdragen in de bestuursovereenkomst in NCW 2010 zijn gesteld.
Ter verduidelijking: Indien de gehele Friese bijdrage in 2010 zou moeten worden betaald, moet in dat jaar door Fryslân 274 miljoen op tafel worden gelegd, welk bedrag dan nog eens moet worden vermeerderd met de (uiteraard nog onbekende) prijsstijging tussen 2002 en 2010.
In de financiële bijlage bij dit statenvoorstel wordt nader op deze materie ingegaan.
Uit de net genoemde bijlage blijkt ook dat de financiële positie van onze provincie er inmiddels niet florissanter op geworden is. Met name heeft dat te maken met de veronderstelde dividendinkomsten en de opbrengst bij eventuele verkoop van de Nuon-aandelen. Heeft aandelenbezit altijd al een zeker virtueel gehalte, dat is te meer het geval als de aandelen niet verkocht mogen worden. En bij de Nuon-aandelen is dat nog steeds het geval. De tegenvallende prestaties van Nuon in de boekjaren 2002 en 2003 (ten opzichten van de prognoses die in 2002 werden aangereikt) maken een bijstelling van de financieringsopzet onder de Friese bijdrage nodig. De veronderstellingen omtrent de financiële armslag, bijvoorbeeld omtrent de mogelijkheden om uit het Nuon-bezit (hetzij uit dividend, hetzij uit verkoop) in de verdere toekomst ook andere grote projecten te realiseren, komen in een ander daglicht te staan . Kort samengevat mag nog steeds worden aangenomen dat de bijdrage uit de Zuiderzeelijn uit de aandelen opgebracht kan worden, maar of er uit die bron nog substantiële bedragen voor andere ambities zullen overschieten, is onzeker geworden. Dat het Nuon inmiddels weer iets beter vergaat, is op zichzelf wel een lichtpuntje, maar vormt op dit moment nog onvoldoende grond voor een andere conclusie.
Juist met het oog op de ongewisse aandelenopbrengst hebben uw staten in 2002 als voorwaarde gesteld dat in artikel 13.6 van de overeenkomst een referentiewaarde van de aandelen per 1-1-02 moet worden opgenomen. Achtergrond daarvan was dat een waardedaling van de aandelen een recht moet verschaffen uit de procedure te stappen. De bijdrage is dan niet langer verschuldigd. Genoemde referentiewaarde ontbrak in de BOV 2002. Dientengevolge zou de commissie die volgens artikel 13.7 uitspraak doet over de kredietwaardigheid van de regio, de waardeontwikkeling van de aandelen niet of nauwelijks in haar oordeel hoeven te betrekken.
In de huidige redactie van art. 13.6 e.v. vinden wij kwestie van de referentiewaarde beslist onvoldoende geregeld. In het nieuwe artikel 13.11 staat wel dat de regio een waardebepaling laat uitvoeren, maar tegelijk luidt de tekst dat het rijk daarvan slechts kennisneemt en zich op geen enkele wijze bindt aan het resultaat. Zeker nu het financiële perspectief er niet rooskleuriger op is geworden, is die redactie voor ons onvoldoende. Daarvoor in de plaats moet een regeling komen waarbij de waardeontwikkeling tussen 1-1-02 (de referentiewaarde) en het latere meldingsmoment expliciet voor de beoordelingscommissie een richtsnoer vormt bij haar beoordeling. Met andere woorden: de opdracht die de commissie op grond van art. 13.7 meekrijgt, is nu te vrijblijvend .Bovendien vinden wij dat het aan de individuele aandeelhouders is om het oordeel van de commissie in te roepen en niet aan het collectief van “de Regio”.
Wij wijzen er nog op dat het in de formule die wij voorstaan niet gaat om financiële compensatie door het rijk. Wij vinden het dan ook beslist niet te veel gevraagd de bepalingen in de door ons gewenste zin te wijzigen.
Wij zijn van mening dat voornoemd punt in de vorm van een ontbindende voorwaarde in of bij de overeenkomst opgenomen dient te worden.
3. Het tekort in de regionale bijdrage
In juni 2002 is in de Stuurgroep Zuiderzeelijn een verdelingsvoorstel aanvaard waarin de bijdrage van het Friese cluster (gemeenten en provincie) 251 mln euro (pp 2002, ncw 2002) bedroeg. Omdat een aantal gemeenten minder hebben bijgedragen dan was gevraagd (Leeuwarden en een viertal niet-haltegemeenten) is de totale Friese bijdrage uitgekomen op € 240 mln.
Nadat de verdeelsleutel in de Stuurgroep was overeengekomen, is in overleg tussen de voorzitters van de onderhandelingsdelegaties de regionale bijdrage verhoogd tot het bedrag dat ook nu nog in de BOV 2004 is opgenomen (1,02 mrd, pp 2002, ncw2010). Om die verhoging te dekken zijn de bijdragen van de provincies Groningen en Fryslân in het verdelingsvoorstel van de voorzitters met resp 20 en 19 miloen euro (ncw 2002) verhoogd.
In de tabellen stond vanaf dat moment een totale Friese bijdrage genoteerd van € 270 miljoen (pp 2002,ncw 2002). Wij zijn echter met de laatste verhoging nooit akkoord gegaan.
Omdat ook de provincie Flevoland minder heeft bijgedragen, beloopt het totale regionale tekort ruim 33,6 mln euro (pp 2002, ncw 2002). Dit is het tekort op de totale bijdrage die de regio volgens de overeenkomst als verplichting aangaat.
Inmiddels is wel een aantal oplossingsmogelijkheden verkend. Een daarvan is de aanzuivering van het tekort met Kompasmiddelen. Nog in 2002 is daarover contact opgenomen met het ministerie van Economische Zaken.
Een andere mogelijkheid ligt in het inzetten van de risico-reserveringen die in 2002 in de raads- en statenbesluiten zijn opgenomen. Zoals verderop nog aan de orde komt, verdwijnen die reserveringen nu uit de overeenkomst.
In de Stuurgroepbrief van 9 juni 2004 wordt gevraagd bedoelde reserveringen vooralsnog als buffer beschikbaar te houden. Wij kunnen ons daar in vinden zonder nu al een uitspraak te doen over de aanwending ervan voor het hier besproken tekort. In zijn algemeenheid geldt overigens dat aan aanwending van de in 2002 gecreëerde risicoreserve, voor welk doel dan ook, nieuwe beslissingen van raden en staten nodig zijn.
Om bovenvermelde reden stellen wij voor op dit moment nog geen wijziging aan te brengen in het financiële besluit van 2002, bestaande uit een bijdrage van 200 mln en een risicoreservering van 10 miljoen euro (beide pp2002, ncw2010).
Wij zien dat het probleem van het regionale tekort tot een oplossing moet worden gebracht. Voor de ondertekening van de BOV zal dat niet meer lukken. Na ondertekening zijn de regionale partijen tot elkaar veroordeeld om er uit te komen. Wij zullen in dat proces onze verantwoordelijkheid nemen.
4.
De risico’s
Alvorens wij op de gewijzigde risicobepalingen ingaan, willen wij eerst nog aandacht besteden aan de risico’s die verbonden zijn aan tussentijdse projectbeëindigingen bij de go/nogo-momenten in de geïntegreerde aanbestedingsprocedure (zie bijlage 1 van de BOV).
Als een van de partijen niet instemt met het Programma van Eisen of met de Beslissing Prijsvraag (goedkeuring door raden en staten vereist), dan leidt dat tot ontbinding van de overeenkomst, tenzij de overgebleven partijen besluiten het project samen voort te zetten.
Bij de latere go/nogo-momenten (Keuze Preferred Tenderer en de Gunningsbeslissing) geldt een lichtere procedure, namelijk dat het Projectbestuur, gehoord de partijen kan besluiten de procedure al dan niet voort te zetten. Derhalve is er alleen bij de eerste twee go/nogo-momenten sprake van een wezenlijk uitstaprecht van de individuele partijen.
Bij projectbeëindiging kunnen partijen elkaar niet aansprakelijk stellen voor gemaakte kosten. De kosten die ten laste van het budget zijn gemaakt, worden volgens een 80-20 verdeelsleutel over rijk resp. regio verdeeld.
Tot het moment van de gunning zullen de budgetuitgaven zeker in de orde van een aantal tientallen miljoenen uitgedrukt worden. Als wordt uitgegaan van € 100 miljoen, zal de regio daarvan dan 20 miljoen voor haar rekening moeten nemen. Voor onze provincie zou dat neerkomen op 5 á 6 miljoen euro, uitgaand van de regionale verdeelsleutel voor de bijdragen aan de MZB.
Nieuw is dat het rijk al in het najaar 2002 duidelijk heeft gemaakt dat het voor de Zuiderzeelijn 2,73 mrd euro (pp2002, ncw2010) gereserveerd heeft, maar dat daarmee ook onder alle omstandigheden het maximum is aangegeven. Dit gegeven is nu in artikel 13.2 van de bestuursovereenkomst vastgelegd en daar is tevens bepaald dat de regionale bijdrage nooit meer dan 1,02 miljard (pp2002, ncw 2010) zal bedragen.
In artikel 14 mondt dit uit in bepalingen voor het geval dat de nu al te voorziene wet- en regelgeving tot een duurdere uitvoering leiden. De strekking daarvan is dat die hogere uitgaven binnen het Budget moeten worden opgevangen en dat daartoe binnen het Budget een risicovoorziening wordt gecreëerd. De overheidsbijdrage waarbinnen de aanbiedende bedrijven een plan moeten maken (de Maximale Prijs), wordt daarmee ingeperkt.
Als een partij nieuwe, nu niet te voorziene wet –en regelgeving tot stand brengt, dan komen de eventuele extra projectkosten ten laste van die partij (de veroorzaker betaalt).
In het geval een partij na de vaststelling van het Programma van Eisen nieuwe (inpassings)eisen stelt en het Bestuur komt tot de conclusie dat die eisen niet binnen het Budget kunnen worden opgevangen, dan komen de kosten van die eisen voor rekening van de betreffende partij. Als die partij het daarmee niet eens is, opent art. 15.9 de mogelijkheid van een beroep op artikel 24 waarin de Onvoorziene Omstandigheden zijn geregeld. Waar dat dan vervolgens toe kan leiden, is niet op voorhand te zeggen. Er is in elk geval op voorhand geen sprake van een recht op ontbinding van de overeenkomst.
Als gevolg van de veranderde opstelling van het Kabinet is, zoals gezegd, het opnemen van een risicovoorziening uit de bestuursovereenkomst verdwenen. Voor onze provincie bedroeg die voorziening € 10 miljoen euro, voor de totale regio ruim €45 miljoen, terwijl het rijk daarenboven voor een substantieel financieel vangnet zorgde.
5.
De betrokkenheid van de Noordvleugel
De verwevenheid van het project Zuiderzeelijn met de ontsluitingsmaatregelen in de Noordvleugel van de Randstad is, zoals in de Inleiding al opgemerkt, een wezenlijke verandering ten opzichte van 2002.
In juni 2002 wees de Raad van de gemeente Almere de bestuursovereenkomst af. Na heronderhandelingen trad Almere in december van dat jaar alsnog toe, maar de gemeente bedong wel een uitstaprecht voor het geval de maatregelen in het Integraal Ontwikkelingsplan Almere als ontoereikend moesten worden beschouwd. In die maatregelen speelde en speelt de IJmeerverbinding een prominente rol. Het uitstaprecht van Almere is in de nieuwe overeenkomst gehandhaafd, zij het dat het niet meer gekoppeld is aan het IOP-Almere, maar aan de planstudie die in het kader van de Nota Ruimte zal worden uitgevoerd naar de bereikbaarheid en verstedelijking van Almere.
De Stuurgroep Zuiderzeelijn en de daarvan deel uitmakende partijen hebben de relatie tussen de Zuiderzeelijn en de ontsluiting van Almere altijd erkend. In de herfst van 2003 is een afspraak tussen de Stuurgroep en Noordvleugelpartijen tot stand gekomen waarin de wederzijdse relatie wordt erkend en waar partijen zich verbinden daar ook rekening mee te houden.
Gedurende de aanloop naar de vervlechting tussen beide projecten, hebben wij er op aangedrongen dat de basisvariant (via de Hollandse Brug) onverkort in beeld moet blijven als een adequate uitvoeringsmodaliteit van het ZZL-project. De sterke focus van de Noordvleugelpartijen op een tracé via het IJmeer (waarvoor alleen een magneetzweeftrein geschikt is) brengt het gevaar met zich mee dat realisering van de Zuiderzeelijn afhankelijk zou worden van de haalbaarheid van de duurdere IJmeervariant.
Wij stellen vast dat de route via de Hollandse Brug als basisvariant is gehandhaafd, wat inhoudt dat de deelnemers aan de prijsvraag hoe dan ook voor die variant een plan moeten indienen.
De verwevenheid tussen de Noordvleugelprojecten en de ZZL komt tot uiting in artikel 12. Indien extra middelen voor de IJmeerverbinding beschikbaar komen, komt deze optie in een gelijkwaardige positie ten opzichte van de verbinding via de Hollandse Brug. Met name door de bepalingen in artikel 12.4 en 12.5. Niet alleen de Besluitvorming Prijsvraag is bepalend voor de vraag met welke alternatieven de procedure wordt voortgezet, ook de afwegingen naar aanleiding van de planstudie Almere en de herijking van de verstedelijkingsopgave van Almere moeten worden meegewogen.
Op zichzelf hoeft het vanuit ons perspectief niet zoveel uit te maken of de verbinding via de Hollandse Brug of het IJmeer verloopt, zij het dat de eventuele extra reistijd voor het laatste tracé wel een aandachtspunt is. Onze zorg is eerder dat een te zware vervlechting met de noordvleugelprojecten (bijvoorbeeld de vraag of de IJmeerbrug zowel uit een spoor- als een wegverbinding moet bestaan) het ZZL-project op onevenredige wijze gaat compliceren. Als was het alleen maar omdat daar grote, nog niet gedekte, financiële inspanningen van de Noord-Hollandse partijen (en eventueel anderen) mee gemoeid zijn.
Overigens beseffen wij ook dat het meedoen van de IJmeervariant onder bepaalde omstandigheden (en dan met name indien er voldoende extra middelen voor beschikbaar komen) het welslagen van het project ten goede kan komen. Dat neemt niet weg dat onze punten van zorg m.b.t. complicerende effecten van die optie overeind blijven.
Op dat laatste zal meer zicht bestaan bij de vaststelling van het Programma van Eisen (het eerstvolgende (zware) go/nogo-moment, ongeveer een half jaar na de ondertekening van de BOV).
Bijvoorbeeld het aantal extra stops tussen Almere en Schiphol wordt dan duidelijk. Dan kan worden beoordeeld of een eventuele daarmee samenhangende verlenging van de MZB-reistijd nog aanvaardbaar is.
Bij de goedkeuring van het PvE zullen deze punten wat ons betreft zorgvuldig in de afweging betrokken moeten worden.
6.
De voorwaarden bij de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomst 2002
Toen Provinciale Staten in juni 2002 akkoord gingen met overeenkomst, werd aan die goedkeuring een viertal voorwaarden verbonden. Op de verrekening van de bijdrage van de Noord-Hollandse partijen met de regionale bijdrage en de opname van de referentiewaarde van de energieaandelen in de overeenkomst, zijn wij hierboven al ingegaan. Onderstaand gaan wij in op de overige twee voorwaarden.
De
aansluiting van Leeuwarden
Er kan naar onze mening worden gesteld dat de positie van Leeuwarden nu op een goede manier is vastgelegd. De afspraken over de infrastructurele maatregelen die eventueel nodig zijn en de bouw van een station Leeuwarden-Zuid (Werpsterhoek) zijn vastgelegd in een side-letter. In de bestuursovereenkomst zelf en de daarbij behorende bijlagen (met name betreffende de Scope en de Topeisen) is ondubbelzinnig bepaald dat het vervoer van en naar Leeuwarden tot het project behoort en dus ook deel gaat uitmaken van de te verlenen concessie. Een aantal tekstuele aanpassingen in genoemde bijlagen hebben elke ruimte voor twijfel weggenomen.
De
bekostiging van de kosten Masterplan uit het Budget
In een brief van de minister van Verkeer en Waterstaat aan de voorzitter van de Stuurgroep is vastgelegd dat voor het Masterplan een bedrag van ten hoogste € 1 miljoen uit het Budget Zuiderzeelijn beschikbaar is. Met die toezegging aan de in 2002 gestelde voorwaarde voldaan.
7.
Voorlichting en Raadpleging
In de vergadering van juni 2003 hebben Provinciale Staten het “Plan van aanpak voorlichting en raadpleging magneetzweeftrein” vastgesteld. Ons voornemen, uitgewerkt in de planning bij het Plan van aanpak, was om in september 2003 de raadpleging te laten plaatsvinden. De raadpleging zou voorafgegaan worden door een voorlichtingscampagne, te organiseren in samenwerking met de overige betrokken partijen. Diverse ontwikkelingen (o.a. de val van het kabinet Balkenende I) hebben als gevolg gehad dat de planning èn uitvoering van het Plan van aanpak parallel aan die ontwikkelingen in de tijd is opgeschoven. In de tussenliggende periode hebben wij de voorbereiding van diverse activiteiten, om deze op korte termijn te kunnen uitvoeren, laten doorgaan.
Een jaar na de vaststelling van het Plan van aanpak door de staten is het zover dat de voorlichtingscampagne en raadpleging gaan plaatsvinden. Na de zomervakantie - in augustus en september – staan in Fryslân de activiteiten voor voorlichting en raadpleging op stapel. In deze paragraaf wordt u geïnformeerd over de stand van zaken, gaan wij in op enkele toevoegingen en wijzigingen op het Plan van aanpak en preciseren het op enkele punten.
Raadpleging
In het Plan van aanpak hebben wij voorgesteld de raadpleging te laten bestaan uit drie elementen: een enquête in de voorlichtingskrant die huis-aan-huis verspreid wordt, de schriftelijke consultatie van maatschappelijke organisaties en een representatief telefonisch opinieonderzoek.
Enquête in voorlichtingskrant
In samenwerking met de overige partijen wordt een voorlichtingskrant uitgegeven waarbij voor Fryslân een inlegvel wordt toegevoegd met de enquête en informatie over de Friese raadpleging. De toonzetting van de inhoud is neutraal en objectief. De krant wordt omstreeks 23 augustus 2004 huis aan-huis verspreid in heel Fryslân, de distributie ervan wordt uitbesteed aan een verspreidingsbureau die garanties moet kunnen geven voor een betrouwbare en een provincie dekkende distributie.
Consultatie
De schriftelijke consultatie van de maatschappelijke organisaties zal plaatsvinden van 30 augustus tot en met 8 oktober, een periode van zes weken. Een groot aantal organisaties ontvangt van ons een brief met daarin het verzoek om beargumenteerd te reageren op een aantal vraagpunten die wij hen voorleggen.
Telefonisch opinieonderzoek
Inmiddels is duidelijk dat de Stuurgroep Zuiderzeelijn in alle betrokken provincies eenzelfde representatief opinieonderzoek zal laten uitvoeren, ook in Fryslân. Wij stellen u daarom voor om waar mogelijk aan te sluiten bij het initiatief van de Stuurgroep Zuiderzeelijn, onder de voorwaarde dat wij ons kunnen vinden in de vraagstelling en dat deze ruimte biedt voor regionale differentatie. Is dat niet mogelijk, dan voeren wij alsnog zelfstandig het telefonisch opinieonderzoek uit.
De uitkomsten van de diverse raadplegingen worden u naar verwachting medio oktober aangeboden. De raadpleging in de vorm van het telefonisch openieonderzoek maakt inmiddels deel uit van de Bestuursovereenkomst en is daarin een procedure stap (art. 6.2.)
Informatiebijeenkomsten
In het Plan van aanpak werd aanvankelijk een drietal informatiebijeenkomsten voorgesteld. Op verzoek van de staten worden niet alleen in Drachten, Heerenveen en Leeuwarden een bijeenkomst georganiseerd, maar wordt – conform onze toezegging - ook in Sneek en Dokkum een informatiebijeenkomst georganiseerd. De vijf informatiebijeenkomsten worden in samenwerking met de Stuurgroep en de projectorganisatie georganiseerd en vinden ook in Groningen en Drenthe plaats. Ook maatschappelijke groeperingen krijgen de ruimte hun opvattingen in deze bijeenkomsten, die de vorm van informatiemarkten krijgen, naar buiten te brengen.
Naast de informatiebijeenkomsten wordt door de Stuurgroep Zuiderzeelijn ook een drietal werkateliers of zogenaamde meedenkbijeenkomsten georganiseerd in Drachten, Heerenveen en Leeuwarden. Doel van deze werkateliers is om van belangstellenden (die zich tijdens de informatiebijeenkomsten kunnen opgeven) inbreng te krijgen voor het Programma van Eisen. De werkateliers worden door een extern bureau georganiseerd, gepresenteerd en begeleid. Fryslân heeft geen inhoudelijke en organisatorische betrokkenheid bij de werkateliers.
Communicatieplanning
Onderstaand een overzicht in hoofdlijnen van de belangrijkste communicatieactiviteiten:
23-30 juni: plaatsing advertentie/informatiepagina in huis-aan-huisbladen
25-27 augustus: Verspreiding informatiekrant met enquête
30 aug. t/m 3 sept.: Informatiemarkten in Drachten, Dokkum, Leeuwarden, Sneek en
Heerenveen.
6 – 8 september: werkateliers in Drachten, Leeuwarden en Heerenveen.
30 aug. – 8 okt.: schriftelijke consultatie maatschappelijke organisaties
13 - 17 september: telefonisch opinieonderzoek in Fryslân
Financiën
Op 18 juni 2003 hebben Provinciale Staten een budget van €
250.000,00 beschikbaar gesteld voor voorlichting en raadpleging. Door de
gewijzigde planning is dit geld uiteraard maar zeer ten dele aangewend, het
resterende deel is per 1 januari 2004 teruggevloeid naar de algemene middelen (een bedrag van €
223.000,00).
In 2003 en 2004 hebben wij nader invulling gegeven aan de activiteiten uit het Plan van aanpak en de toezeggingen aan Provinciale Staten. Daaruit is naar voren gekomen dat het gevraagde en toegekende budget niet toereikend is voor de uitvoering zoals deze is vastgesteld. Met name de kosten voor betrouwbaar en kwalitatief goed uitgevoerd onderzoek (enquête en opinieonderzoek) zijn hoger dan aanvankelijk begroot. Ook de kosten voor de organisatie van de twee extra informatiebijeenkomsten waren in de begroting niet voorzien.
Onder verwijzing naar de eerdere besluitvorming stellen wij u voor om akkoord te gaan met het beschikbaar stellen van het resterende budget 2003, een bedrag van € 223.000,00, en een extra bedrag van € 75.000,00 voor de hogere kosten van de uitvoering van het Plan van aanpak. Het tijdelijk budget bedraagt daarmee € 298.000,00. De deels gewijzigde begroting ziet er als volgt uit:
|
1. |
Voorlichtingskrant (huis-aan-huisverspreiding, inclusief productie en
invoegen inlegvel met enquête) |
45.000,- |
|
2. |
Enquête en telefonisch
opinieonderzoek (ontwikkelen, verzamelen en verwerken van enquête in
voorlichtingskrant en telefonisch opinieonderzoek, inclusief de portikosten
voor retournering door respondenten, gebaseerd op opkomst van 25%) |
148.000,- |
|
3. |
Bouw en beheer website |
PM |
|
4. |
Digitale nieuwsbrief |
PM |
|
5. |
Advertenties |
20.000,- |
|
6. |
Informatiebijeenkomsten
en werkateliers |
30.000,- |
|
7. |
Publiekstelefoon |
PM |
|
8. |
Persvoorlichting |
PM |
|
|
SUBTOTAAL |
243.000 |
|
|
Bijkomende kosten: |
|
|
9. |
Coördinator |
30.000,- |
|
10. |
Onvoorzien |
25.000,- |
|
|
TOTAAL |
298.000 |
De met PM aangegeven kostenposten worden gedekt door reguliere budgetten of door de Stuurgroep Zuiderzeelijn dan wel via het projectbudget.
De kosten die wij in deze opzet voor eigen rekening nemen, zijn gebaseerd op de inkleding van voorlichting en raadpleging zoals die in 2003 in PS is afgesproken. Naarmate er – zonder afbreuk te doen aan de eigen uitgangspunten – kan worden samengewerkt in regionaal verband, zullen de kosten voor onze provincie lager uitvallen.
Voor de dekking van de kosten voor voorlichting en raadpleging krijgt u een begrotingswijziging voorgelegd.
De consequenties van het
resultaat van de raadpleging
Het spreekt vanzelf dat de resultaten van de raadpleging in elk geval zullen leiden tot een herijking van de Friese positie in het project Zuiderzeelijn. In het verlengde daarvan bestaat de mogelijkheid dat het standpunt dat nu over de bestuursovereenkomst wordt ingenomen, na weging van de resultaten van de raadpleging (gradueel of fundamenteel) bijstelling behoeft.
Op het eerste gezicht lijkt het misschien voor de hand te liggen dat een eventuele herziening van het standpunt tot uiting kan worden gebracht bij de goedkeuring van het Programma van Eisen, immers een go/nogo-moment. Maar als dan al een ongeclausuleerde handtekening is gezet onder de bestuursovereenkomst, biedt de PvE-procedure toch onvoldoende ruimte voor de afweging die op grond van de uitslag van de raadpleging aan de orde kan zijn.
Niet instemmen met het PvE moet gebaseerd zijn op concrete bezwaren tegen punten uit het PvE, de scope van de raadpleging is breder.
Om die reden zijn wij van
mening dat in of bij de overeenkomst de ontbindende voorwaarde opgenomen dient
te worden dat de uitkomsten van de Friese Volksraadpleging voldoende draagvlak
opleveren onder de Friese bevolking/samenleving.
8.
Conclusie
In bovenstaande beschouwingen is selectief ingegaan op een aantal punten waarop de nu voorgelegde bestuursovereenkomst afwijkt van de versie die juni 2002 in PS aan de orde is geweest en toen, onder het stellen van een aantal voorwaarden door de staten, is goedgekeurd.
Zoals aan het eind van de Inleiding opgemerkt dient in de eindafweging het belang van de Zuiderzeelijn naar onze mening een zware rol te spelen.
Alles overziende zijn wij evenwel van mening dat de bestuursovereenkomst op één punt een te grote onvolkomenheid bevat om er onvoorwaardelijk mee akkoord te gaan. Dat betreft het ontbreken van een steviger aandelenclausule. Aan de voorwaarde die in 2002 door PS is gesteld over het opnemen van de referentiewaarde van de aandelen per 1 januari 2002, uiteraard gepaard met de bereidheid van alle partijen – ook het rijk – die referentiewaarde ook een reële betekenis te geven, is niet voldaan. In de opdracht van de commissie die bij melding van waardedaling moet bepalen of partijen in redelijkheid nog aan hun financiële toezeggingen kunnen worden gehouden, zal de waardedaling expliciet een afwegingscriterium moeten vormen. Zeker ook op grond van de huidige financiële vooruitzichten is de bepaling die nu in de overeenkomst is opgenomen onvoldoende. Wij hebben uiteraard in het voortraject er alles aan gedaan om de overeenkomst op dit punt aangepast te krijgen. Wij vertrouwen er op de andere partijen (en dan met name het rijk) de redelijkheid van ons bezwaar alsnog zullen inzien.
Resumerend kunnen wij ons, met uitzondering van één punt, vinden in de bestuursovereenkomst.
Voor de aandelenclausule in artikel 13 van de overeenkomst geldt dat niet. Op dat punt stellen wij daarom voor een voorbehoud te maken.
Kanttekeningen die wij bij enkele thema’s hebben geplaatst, kunnen bij de eerstvolgende zware go/nogo-momenten (Programma van Eisen en Besluitvorming Prijsvraag) nog voldoende aan de orde komen.
Los van de inhoud van de overeenkomst noopt het karakter van de bevolkingsraadpleging in onze provincie er toe een algemeen voorbehoud te maken. En wel in die zin dat de instemming van de provincie Fryslân komt te vervallen indien de provincie Fryslân op grond van de raadpleging zich alsnog zou uitspreken tegen het aangaan van de overeenkomst.
Op grond van het bepaalde in artikel 167 provinciewet kunnen PS ten aanzien van aangelegenheden van ingrijpende aard aan ons college hun wensen en bedenkingen kenbaar maken. Voornoemde twee punten ten aanzien van de aandelenopbrengst en de uitkomsten van de volksraadpleging zijn aangelegenheden die niet onbenoemd dienen te blijven in de overeenkomst of in een aanhangsel/bijlage bij de overeenkomst, in de vorm van een tweetal ontbindende voorwaarden. Als een of beide voorwaarde(n) niet in vervulling gaat/gaan, kan de provincie een verzoek doen tot ontbinding van de overeenkomst.
Wij zijn van mening dat voornoemde punten expliciet geregeld dienen te worden en stellen u voor te besluiten c.q. ons te adviseren overeenkomstig het hierbij gevoegde besluit.
Leeuwarden, 15 juni 2004
Gedeputeerde Staten van Fryslân
Bijlagen:
- Financiële bijlage bij het statenvoorstel
- Brief van de voorzitter van de Stuurgroep Zuiderzeelijn d.d. 9 juni 2004 (bijgevoegd);
- Concept-Samenwerkingsovereenkomst d.d. 8 juni 2004 (bijgevoegd);
- Concept-Samenwerkingsovereenkomst d.d. 8 juni 2004 (met annotaties over wijzigingen (ter inzage)
- Brieven van de voorzitter van de Stuurgroep Zuiderzeelijn d.d. 5 juli 2002, 11 juli 2002 en 30 september 2002 (ter inzage).
Uitgebreide informatie over het project Zuiderzeelijn is te vinden op: www.zuiderzeelijn.nl
BESLUIT NR.
Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van Fryslân van , no.
Gelet op artikel 167 van de provinciewet.
Overwegende dat de voorzitter van de Stuurgroep Zuiderzeelijn de provincie Fryslân in zijn brief van 9 juni 2004 verzoekt:
- in te stemmen met de ontwerp-Samenwerkingsovereenkomst met bijlagen, gedateerd 8 juni 2004;
- de regionale reservering van het extra budget voor “Onvoorzien” voorlopig te handha-
ven onder voorwaarde dat over de eventuele inzet en de bestemming van het bedrag
aanvullende besluitvorming zal
plaatsvinden door raden en staten;
- de Stuurgroep Zuiderzeelijn te
mandateren tot aanwijzing van de twee regionale
leden voor het Tijdelijke Bestuur
Zuiderzeelijn overeenkomstig artikel 4.2 van de
Samenwerkingsovereenkomst.
Besluiten:
A. Er mee in te stemmen dat de provincie Fryslân de
Samenwerkingsovereenkomst
rijk-regio inzake de Zuiderzeelijn
(volgens het ontwerp d.d. 8 juni 2004) aangaat onder
het stellen van de ontbindende
voorwaarden:
De provincie kan de overeenkomst zonder gerechtelijke tussenkomst (doen)
ontbinden als niet aan de voorwaarden hiervoor genoemd onder 1a,b en c,
wordt voldaan.
B. Er mee in te stemmen dat de provincie Fryslân de regionale reservering ad € 10 miljoen
(prijspeil 2002, netto contante waarde 2002) voor het budget ”Onvoorzien” voorlopig
handhaaft.
C. Er mee in te stemmen dat de provincie Fryslân de Stuurgroep mandateert tot
aanwijzing van twee regionale leden voor het Tijdelijk Bestuur Zuiderzeelijn,
overeenkomstig artikel 4.3 van de samenwerkingsovereenkomst.
Aldus vastgesteld door provinciale staten van Fryslân in hun openbare vergadering van 30 juni 2004,
, voorzitter
, griffier