Soort: Behandelvoorstel

Vergadering: Statencommissie Welzijnszaken

Datum: 13–09-2000

Agendapunt: 03

Onderwerp: Concept-Plannen Jeugdhulpverlening

Afdeling: Welzijn

Start document:

BEHANNEL-UTSTEL 
 
 

Conceptplannen Jeugdhulpverlening. 

Presintaasje:

Foar leit:

met een begeleidende brief en een exemplaar van de door de provincie in dit geval te hanteren inspraakregeling als bedoeld in art 3 lid 4 van de Inspraakverordening Provincie Friesland 1989). 

Bestjoerlik ramt:

In uw vergadering van 11 juli 2000 werd de wens geuit om de concept-plannen Jeugdhulpverlening nog te kunnen beoordelen op inspraakrijpheid. Dit dus nog voordat de inspreektermijn zou zijn afgerond. De concept-plannen zijn in de tweede helft van juli naar alle betrokkenen gezonden met het verzoek om hierop in te spreken.  

Proseduerre:

De inspraakperiode loopt af op 22 september.

Inhoudelijke behandeling van de Conceptplannen in uw commissie vindt plaats op 15 november 2000. Behandeling in PS op 13 december 2000. 

Oandachtspunten foar de behanneling:

De commissie wordt nu alsnog in de gelegenheid gesteld om te oordelen of de reeds

verzonden plannen als inspraakrijp kunnen worden beschouwd en/of nog eventuele wijzigingen en /of amenderingen nodig zijn. 

Beslútpunt:

De commissie wordt gevraagd de stukken alsnog inspraakrijp te verklaren. 

Behanneljend amtner:

A. van Unen

Ofdieling Wolwêzen

Tastel: 5594

 
 
 
 
 
 
 
 
 

                                                                         CONCEPT  
 
 
 
 
 
 

    PLAN JEUGDHULPVERLENING 2001 TOT EN MET 2004 
 

                                                                               a. Beleidsplan 2001 - 2004 

                                                                               b. Jaarplan 2001 

  1. Implementatieplan Intensiveringsmiddelen

                                                                                     Toegang tot Jeugdzorg 2000-2002 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

LEEUWARDEN, JULI 2000 
 
 

 
 INHOUDSOPGAVE

 
 
 

Deel A: Beleidsplan jeugdhulpverlening 2001-2004 

Hoofdstuk 1 Inleiding: hoofdlijnen en speerpunten van beleid 

Hoofdstuk 2 Relevante ontwikkelingen en randvoorwaarden 

Hoofdstuk 3 Organisatie jeugdhulpverlening 

Hoofdstuk 4 Uitvoering jeugdhulpverlening 

Hoofdstuk 5 Experimenten/projecten 

Hoofdstuk 6 Kwaliteitszorg en cliëntenbeleid 

Hoofdstuk 7 Huisvesting jeugdhulpverlening 
 

Deel B: Jaarplan jeugdhulpverlening 2001 

Hoofdstuk 1 Beleidsvoornemens voor 2001 (samenvatting) 

Hoofdstuk 2 Financiën (incl. aanbod jeugdhulpverlening) 

Hoofdstuk 3 Format aanlevering plangegevens 2001-2004 
 

Deel C: Implementatieplan Intensiveringsmiddelen

                         Toegang tot Jeugdzorg 2000-2002 
 Deel A: Beleidsplan jeugdhulpverlening 2001-2004

 
Hoofdstuk 1 Inleiding: hoofdlijnen en speerpunten van beleid
 
 

1.1 Wettelijke verantwoordelijkheid 

Op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor de planning en de financiering van de voorzieningen van jeugdhulpverlening. Wij hebben er in 1993 voor gekozen deze voorzieningen onder te brengen in één multifunctionele organisatie voor jeugdhulpverlening (mfo). Deze mfo is onder verantwoordelijkheid van de Stichting Jeugdzorg Friesland in 1996 van start gegaan. 

De planning en de financiering van de jeugdbescherming (hulp die door een (gezins)voogdij-instelling verleend wordt in het kader van een door de rechter uitgesproken kinderbeschermingsmaatregel) behoren tot de exclusieve verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De uitvoering van de jeugdbescherming geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Stichting Jeugdbescherming Friesland, welke stichting onderdeel uitmaakt van de mfo. Stichting Jeugdzorg Friesland en Stichting Jeugdbescherming Friesland noemen zich samen Jeugdzorg Friesland. 

In de Wet op de jeugdhulpverlening en bijbehorende Algemene Maatregelen van Bestuur worden tal van eisen gesteld aan de inrichting en uitvoering van de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming. Zo worden eisen gesteld ten aanzien van de kwaliteit van de hulpverlening. Wij achten het van groot belang, dat de hulpverlenende organisaties aan deze eisen voldoen. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met de wensen van de jeugdige en ouders/verzorgers.

O.a. moet gewerkt worden met respect voor de taal en de (levensbeschouwelijke) identiteit van de hulpvragers en de hulpverleners. Ook dient bij de hulpverlening rekening gehouden te worden met de cultuur van jeugdigen en gezinnen van allochtone herkomst. Aangezien binnen de jeugdbescherming in Fryslân het percentage allochtone cliënten reeds jaren ca. 4,5% bedraagt, achten wij het van belang dat de Stichting Jeugdzorg Friesland, bij vrijkomende formatie, waar nodig en mogelijk door middel van een positief aanstellingsbeleid een extra impuls geeft aan de instroom van allochtone medewerkers. Daarbij is het noodzakelijk dat medewerkers actief geschoold worden op de problematiek van deze doelgroep. 

Bekend is dat zo'n 15% van de jeugd in Nederland kampt met meer of minder ernstige problemen. Het betreft emotionele, ontwikkelings- en schoolproblemen, verslaving en psychiatrische problemen. Een deel van de jeugdigen met problemen, zo'n 3%, doet een beroep op de jeugdzorg. Jeugdzorg omvat het terrein van de jeugdhulpverlening, de jeugdbescherming en de (geestelijke) jeugdgezondheidszorg (jeugd-ggz). 

 
1.2 Hoofdlijnen en speerpunten van beleid
 

De hoofdlijnen en speerpunten van beleid ten aanzien van de jeugdhulpverlening in de provincie Fryslân in de komende jaren vormen een logisch vervolg op de ingezette beleidslijn van de afgelopen jaren en kunnen kort samengevat als volgt worden weergegeven:

Hierna zullen wij nader ingaan op de genoemde hoofdlijnen en speerpunten van beleid, waarbij tevens aandacht zal worden besteed aan de Regiovisie Jeugdzorg en het Advies toegang tot de jeugdzorg. 

1.2.1 Regiovisie

Naast de wettelijk vastgestelde taken met betrekking tot de jeugdhulpverlening hebben wij tevens de taak van regionale regisseur van de totale jeugdzorg. De Rijksoverheid ziet de Regiovisie als een belangrijk instrument waarmee de provincie haar rol als regisseur gestalte kan geven. De Regiovisie heeft dus een plaats binnen het complementair bestuur tussen rijk, provincie en gemeenten, waarbij elke bestuurslaag een eigen competentie heeft. Binnen de provinciale kaders bieden wij aan betrokken partijen zoveel mogelijk ruimte om tot maatwerk te komen.

Centraal in de Regiovisie staat het doel om door middel van een zo optimaal mogelijke samenwerking tussen de organisaties vanuit verschillende sectoren, die met jeugd in aanraking komen, een vraaggericht aanbod te realiseren. De hoofdlijnen van beleid voor de jeugdhulpverlening in de komende jaren komen overeen met de doelstellingen die de Regiovisie Jeugdzorg aangeeft.

Momenteel wordt in de werkgroep Regiovisie nagedacht over de wijze waarop de thema’s die in de Regiovisie zijn opgenomen tot uitvoering moeten worden gebracht. 

De verwachting is dat de Regiovisie Jeugdzorg in de aangekondigde nieuwe Wet op de Jeugdzorg een wettelijke basis zal krijgen. Ter onderscheiding van regiovisies op andere terreinen, welke in mindere mate bindend zijn voor partijen, en omdat de Regiovisie het vierjarenplan jeugdhulpverlening naar verwachting zal gaan vervangen, zal de naam Regiovisie Jeugdzorg worden veranderd in Provinciaal Beleidskader Jeugdzorg. Het jaarplan zal Uitvoeringsprogramma Jeugdzorg gaan heten.

Als regisseur van de totstandkoming en uitvoering van de Regiovisie vinden wij het belangrijk dat alle verantwoordelijke en bij de jeugd betrokken partijen en organisaties overeenstemming bereiken over de inhoud van de Regiovisie. Deze partijen zullen dan ook zoveel mogelijk worden betrokken. Wij achten het van groot belang dat ook de verdere uitwerking van de lijn van denken, zoals neergelegd in het Advies toegang tot de jeugdzorg en in de Regiovisie Jeugdzorg, plaatsvindt in goed overleg met alle betrokken partijen. Dit betreft gemeenten, instellingen op het terrein van de gezondheidszorg, het onderwijs, de arbeidsvoorziening, de politie, raad voor de kinderbescherming etc. In het jaar 2001 zullen wij extra aandacht schenken aan de wijze waarop cliënten zelf kunnen participeren in de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg. Wij denken hierbij aan deelname vanuit cliëntenorganisaties en cliëntenraden in (subgroepen van) de Werkgroep Regiovisie Jeugdzorg (zie hoofdstuk 6) 

u Ook in 2001 zal veel aandacht uitgaan naar de bevordering van de samenwerking met gemeenten en organisaties uit aanpalende sectoren, onder andere ten behoeve van de bevordering van de totstandkoming van een integrale toegang tot de jeugdzorg. Expliciet zullen wij aandacht besteden aan participatie van cliënten in de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg. 

1.2.2 Toegang tot de jeugdzorg

In het Advies toegang tot de jeugdzorg en onze vorige plannen hebben wij reeds aangegeven te streven naar een toegang tot een brede jeugdzorg. Belangrijke elementen zijn enerzijds de vestigingen van het Bureau Jeugdzorg, die de toeleiding tot de geïndiceerde jeugdzorg moeten gaan uitvoeren en anderzijds gemeentelijke loketten, die zorgen voor de coördinatie op gemeentelijk c.q. regionaal niveau en een soepele doorverwijzing naar het Bureau Jeugdzorg. Hierbij moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij de gemeentelijke behoeften en bestaande organisatiestructuur. De vorming van de vestigingen van het Bureau Jeugdzorg behoren tot de verantwoordelijkheid van de provincie. De vorming van de gemeentelijke loketten behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Uiteindelijk zullen de op verschillende niveaus uit te voeren activiteiten in onderling verband aan elkaar gekoppeld moeten worden op een wijze die enerzijds efficiency en effectiviteit van hulp- en zorgverlening bevordert (de ketengedachte) en anderzijds ruimte laat voor de eigenheid van de verschillende organisaties en de daarbinnen uitgevoerde werkzaamheden. Hierna gaan wij in op de ontwikkelingen in de provincie Fryslân wat betreft beide onderdelen.

1.2.3 Bureau Jeugdzorg: Wachtlijsten toegang tot jeugdzorg

Evenals in voorgaande jaren kampt het Bureau Jeugdzorg nog steeds met aanzienlijke wachtlijsten. Op peildatum 1-4-2000 was het gemiddeld aantal wachtenden voor met name de functies, uit te voeren na de aanmelding en screening, ca. 100 personen. Met de extra middelen die wij vanaf 1999 hebben ingezet ter bestrijding van de wachtlijsten voor de verschillende functies van het Bureau Jeugdzorg, is de wachtlijst voor aanmelding en screening gedaald van ca. 140 wachtenden in mei 1999 tot ca. 10 wachtenden in april 2000. De nog aanwezige wachtlijsten betreffen voornamelijk wachtlijsten voor de functies die verricht worden nadat een minderjarige of zijn/haar gezin is aangemeld. Het betreft de functies diagnostiek, indicatiestelling, zorgtoewijzing/plaatsing en casemanagement. Met name de diagnostische fase is zeer arbeidsintensief, maar van groot belang voor de juiste vaststelling van hetgeen er aan de hand is en welke hulp moet worden geboden. Met het wegwerken van de wachtlijsten voor aanmelding en screening zijn de wachtlijsten voor deze functies toegenomen. De wachttijd voor deze functies kan oplopen tot langer dan een half jaar. 

Van het Rijk ontvangen wij structureel extra middelen voor de optimalisering van de toegang tot de jeugdzorg. Het betreft de volgende bedragen:

2000: ƒ 2,7 miljoen

2001: ƒ 3,1 miljoen

2002 en volgende jaren: ƒ 3,9 miljoen structureel 

Voor een prioritering in de toedeling van deze bedragen verwijzen wij hier naar het, conform de afspraak met de Ministeries van VWS en Justitie in deel C van dit plan opgenomen, Implementatieplan Intensiveringsmiddelen Toegang tot Jeugdzorg 2000-2002 Provincie Fryslân. Hierin wordt ingegaan op de verdeling van de extra middelen over de verschillende prioriteiten, welke laatste reeds waren opgenomen in het vorige Plan Jeugdhulpverlening, te weten:

  1. Wegwerken van de wachtlijsten van het Bureau Jeugdzorg;
  2. Verdere uitbouw functies Bureau Jeugdzorg;
  3. Verdere uitbouw samenwerking met GGZ-jeugd Friesland;
  4. Verdere optimalisering samenwerking op gemeentelijk niveau.

Het wegwerken van de wachtlijsten is als hoogste prioriteit aangegeven, waarvoor dan ook een belangrijk deel van de middelen zal worden ingezet. 

u In de jaren 2001 en volgende ontvangt de provincie extra middelen ten behoeve van de optimalisering van de toegang tot de jeugdzorg. De verdeling van deze middelen is opgenomen in het Implementatieplan Intensiveringsmiddelen Toegang tot de Jeugdzorg 2000-2002 Provincie Fryslân, dat is opgenomen in deel C van dit plan. De extra middelen zullen voor een belangrijk deel worden ingezet om de wachtlijsten van het Bureau Jeugdzorg weg te werken. 

1.2.4 Bureau Jeugdzorg: Integratie

Zoals gezegd, streven wij naar een toegang tot de brede jeugdzorg, bestaande uit gemeentelijke, regionale en provinciale componenten, waarin meerdere sectoren participeren. In de meest ideale vorm voert dit toegangsorgaan ook de toegang uit tot andere sectoren dan de niet vrij toegankelijke jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, namelijk de jeugd-ggz, de zorg voor licht-verstandelijk gehandicapten en het speciaal onderwijs.

In de praktijk is sprake van een steeds verder toenemende samenwerking tussen enerzijds de toegangsorganen naar de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming en anderzijds de toegangsorganen naar de (geestelijke) jeugdgezondheidszorg.

In januari 2000 hebben Jeugdzorg Friesland en GGZ-jeugd Friesland een akkoord gesloten, dat inhoudt dat beide organisaties ernaar streven om gezamenlijk een samenwerking te ontwikkelen met als doel de toegang tot de geïndiceerde jeugdzorg conform ‘Regie in de Jeugdzorg’ voor te bereiden, te implementeren en uit te voeren. Naar aanleiding van dit akkoord is een onafhankelijke buitenstaander gevraagd te adviseren over de volgende zaken:

Bij de advisering vormen de huidige situatie van de GGZ-jeugd en het Bureau Jeugdzorg met hun beide werkterreinen en locaties uitgangspunt. Daarnaast zijn de wettelijke en financiële kaders waarbinnen de organisaties werkzaam zijn, mede uitgangspunt van het advies. Tenslotte kunnen aanbevelingen voor eventuele ontvlechting van Riagg-taken uit de GGZ-jeugd en toegangstaken uit het Bureau Jeugdzorg onderdeel van het advies zijn.

De bedoeling is dat dit advies medio 2000 wordt ontvangen. Naar aanleiding van dit advies zal de feitelijke ontwikkeling naar een concrete integrale toegang gerealiseerd worden.

In dit kader moet tevens worden opgemerkt dat de vestiging van het Bureau Jeugdzorg te Sneek ingaande medio 2000 zal worden gehuisvest tezamen met de GGZ-jeugd te Sneek in het pand van de GGZ-jeugd te Sneek.

Wij juichen deze ontwikkeling van toenemende integratie toe.

In het Implementatieplan Intensiveringsmiddelen Toegang tot de Jeugdzorg 2000-2002 Provincie Fryslân (zie deel C) hebben wij aangegeven dat wij een bedrag beschikbaar stellen voor de totstandkoming en uitvoering van de genoemde integratie. 

1.2.5 Gemeentelijke/regionale pilotprojecten Toegang tot de jeugdzorg

Naar aanleiding van het Advies toegang tot de jeugdzorg en in het kader van de verdere uitbouw en ontwikkeling van de Toegang tot de brede Jeugdzorg hebben wij samen met de Vereniging van Friese Gemeenten gemeentebesturen uitgenodigd om voorstellen voor pilotprojecten in te dienen, die gericht zijn op verbetering van de toegang tot de jeugdzorg. Zoals wij eerder hebben aangegeven, zijn wij bereid een deel van de aanloopkosten voor onze rekening te nemen. Inmiddels zijn er 6 projectvoorstellen goedgekeurd, die naar verwachting binnenkort van start zullen gaan.

De pilotprojecten zijn gericht op de volgende aspecten van de toegang:

  1. de verbetering van de bereikbaarheid en toegankelijkheid op lokaal niveau, o.a. door binnen de bestaande structuren een laagdrempelig gemeentelijk loket/bureau op te richten, waar jeugdigen, ouders en andere bij jeugd betrokkenen, terecht kunnen met vragen over opvoeding of aanverwante onderwerpen en zo nodig worden doorverwezen. De functies advies, informatie, consultatie en doorverwijzing staan hierbij centraal;
  2. de verbetering van de samenhang tussen lokale voorzieningen onderling en met regionale voorzieningen, de verbetering van het verwijzingssysteem tussen voorzieningen en de verbetering van de aansluiting en afstemming met de regionale vestigingen van het Bureau Jeugdzorg. Het betreft de koppeling tussen het gemeentelijke/lokale niveau en het provinciale/regionale niveau;
  3. de verdere uitbouw van preventieve en vrij toegankelijke licht ambulante taken voor jeugdigen en gezinnen. Het betreft functies die door op gemeentelijk niveau werkzame voorzieningen in samenhang met of vanuit het gemeentelijk loket/bureau in afstemming met het Bureau Jeugdzorg worden verricht;
  4. de oprichting van een nieuwe regionale vestiging van het Bureau Jeugdzorg in Heerenveen, naast de al bestaande vestigingen in Leeuwarden, Drachten en Sneek, die in beginsel zowel regionale als gemeentelijke toegangstaken van de toegang uitvoert. Ten behoeve van een goede spreiding over de provincie is het noodzakelijk een vestiging in Heerenveen te openen, waarvoor in het verleden de financiële middelen ontbraken. Op dit moment wordt onderzocht welke consequenties dit heeft voor de overige vestigingen van het Bureau Jeugdzorg. 

Een beschrijving van de gemeentelijke pilotprojecten levert het volgende overzicht op. 

Achtkarspelen

Het pilotproject van de gemeente Achtkarspelen is gericht op de oprichting van een loket voor de jeugd van 0 tot 25 jaar. Het loket moet dienen als centraal punt voor informatie, advies, doorverwijzing en aanmelding naar achterliggende voorzieningen. Tevens worden lichte, preventieve activiteiten vanuit dit loket verricht. Bijvoorbeeld opvoedingsvoorlichting en advies. Organisatorisch streeft Achtkarspelen naar twee loketten, namelijk een in Surhuisterveen en een in Buitenpost. Het streven is om alle lijnen/organisaties op het terrein van het jeugdbeleid samen te laten komen binnen de organisatie van het jeugdloket. 

Heerenveen

De gemeente Heerenveen wil op korte termijn tot directe dienstverlening aan de burgers komen met een centraal punt, dat onderdeel is van de netwerkstructuur in deze gemeente. Er is verder uitgegaan van een gefaseerde opbouw, die kan uitmonden in een bureau als toegang tot brede jeugdzorg zoals bedoeld in de Regiovisie Jeugdzorg Fryslân. Derhalve een bureau, dat (een deel van) de functies vervult die in een bureau jeugdzorg (zoals in het landelijk beleid omschreven) tot uitvoering moeten komen én de functies die vanuit het gemeentelijk jeugdbeleid integraal met de jeugdzorgfuncties uitgevoerd kunnen worden. O.a. op het gebied van informatie, advies, doorverwijzing, en opvoedingsvoorlichting en -advies.

In één van de fases van de opbouw moet duidelijk bepaald worden in welke omvang behoefte bestaat aan een 'bureau jeugdzorg' als onderdeel van het beoogde loket of bureau toegang tot brede jeugdzorg. Op basis daarvan zal op dat moment over de aard en omvang en over de benodigde financiële middelen voor de exploitatie een beslissing worden genomen.

Op zich steunen wij de oprichting in Heerenveen van een nieuwe vestiging van het bureau jeugdzorg als onderdeel van het loket of bureau toegang tot brede jeugdzorg.

De opbouw van een loket of bureau als hiervoor omschreven, biedt een uitgelezen kans om deze van het begin af aan samen met de GGZ-jeugd vorm te geven. Onder meer ten behoeve daarvan vindt overleg plaats tussen de Stichting Jeugdzorg Friesland, de GGZ-jeugd, de gemeente Heerenveen, de Vereniging van Friese Gemeenten en de Provincie. 

Lemsterland

Het pilotproject van de gemeente Lemsterland is gericht op een te organiseren aanspreekpunt/loket vanuit bestaande voorzieningen en instellingen. Het gaat om een herkenbaar, laagdrempelig aanspreekpunt van waaruit in ieder geval probleemjongeren en –gezinnen worden gesignaleerd en aandacht krijgen. Tevens is dit punt verantwoordelijk voor het initiëren van hulpverlening aan dergelijke jongeren en gezinnen. De gemeente wil dit loket/bureau erop aan kunnen spreken dat er tijdig wat aan de problematiek wordt gedaan in het geval ouders, jeugdigen of beroepsbeoefenaren hiermee komen. Naast deze doelgroep, bestaande uit de risocojeugd en –gezinnen zal het loket zich gaan richten op een bredere doelgroep en algemeen toegankelijk worden voor een breed publiek. 

Smallingerland

De gemeente Smallingerland richt zich evenals de overige gemeenten met een pilotproject op het op korte termijn verlenen van directe dienstverlening aan de burgers in een gemeentelijk loket of bureau. In dat loket worden de diensten als informatieverstrekking, advies, consultatie en voorlichting, aanmelding, doorverwijzing, opvoedingsondersteuning en –advisering geboden. Verder zullen enkele functies uitgevoerd worden, die om praktische en financiële redenen alleen in een centrumgemeente ondergebracht kunnen worden.

Naast dit project wil de gemeente Smallingerland een zogenaamd 'regionaal project' starten, waarin diverse zaken die met samenhang en samenwerking tussen instellingen in verschillende sectoren te maken hebben, onderzocht worden en zo mogelijk tot een oplossing worden gebracht. 

Omdat uit de overige projecten ook onderwerpen naar voren zullen komen, waarvoor hulp van of nader onderzoek door derden nodig zal zijn, is besloten om Smallingerland te vragen dergelijke onderwerpen in het 'regionaal project' nader te onderzoeken en de resultaten voor een brede verspreiding te presenteren.

Indien – zo is verder besloten- dergelijke verzoeken door de VFG en de provincie aan Smallingerland worden gedaan, en Smallingerland naar aanleiding daarvan een onderzoek uitvoert, dan zal vanaf het eerste onderzoek in de kosten van het 'regionale project' door de provincie worden bijgedragen.

Verwacht wordt, dat ongeveer een half jaar tot een jaar nadat de eerste projecten met de directe dienstverlening zijn gestart, onderwerpen als hier bedoeld duidelijk zullen worden.

 
Sneek

De gemeente Sneek richt zich in het project in de eerste plaats op het op korte termijn starten van een loket of bureau waarin de functies informatie, advies, consultatie, voorlichting, doorverwijzing, preventie, opvoedingsondersteuning en –advisering een belangrijk deel van het werk zullen vormen. Verder zullen ook in Sneek enkele functies vorm worden gegeven, die alleen in een centrumfunctie geboden zullen kunnen worden.

Evenals voor de overige projecten, zal het gemeentelijk loket of bureau duidelijk een centrale plaats hebben in de relatie tussen tal van gemeentelijke en provinciale voorzieningen, in de afstemming daarin en in de doorgeleiding van jeugdigen naar de hulp en zorg die past bij hun vraag.

De gemeente Sneek heeft in het project benadrukt in het begin deskundigheidsbevordering en de mogelijkheden tot diagnostisch handelen te willen stimuleren. Verder beoogt de gemeente Sneek te bevorderen, dat de wachtlijstenproblematiek in het maatschappelijk werk afneemt.

Sneek richt zich op het stimuleren van voldoende aanbod aan hulp en zorg nadat de jeugdigen het gemeentelijk loket of bureau zijn gepasseerd. 

Tytsjerksteradiel

De gemeente Tytsjerksteradiel richt haar pilotproject op de oprichting van een centraal punt dat de eerste opvang verzorgt bij een verzoek van jeugdigen, ouders en beroepsbeoefenaren. Naast een toegangspoort tot een brede jeugdzorg, dient dit punt te fungeren als scharnier voor tijdige doorgeleiding naar o.a. onderwijs, arbeidsvoorziening, sociaal cultureel werk en maatschappelijk werk. Voorts is het de bedoeling dat het een coördinatiepunt vormt tussen instellingen en voorzieningen uit diverse sectoren en preventieve activiteiten in de gemeente verricht.

Leeuwarden

De gemeente Leeuwarden tot slot ontvangt een bedrag ten behoeve van het project ‘Sluitende aanpak voor jongeren van 12 tot 23 jaar’ vanuit de gelden die voor de uitvoering van het 'Convenant Grote Stedenbeleid' - dat tussen de provincie en deze gemeente is gesloten - beschikbaar zijn gesteld. Om inhoudelijke redenen is dit project niet als een pilotproject zoals hier bedoeld aangemerkt. De pilotprojecten zijn bedoeld voor een veel bredere, minder gespecificeerde doelgroep. De verwachting is dat in het project van Leeuwarden wel ervaringen worden opgedaan, die benut kunnen worden bij de informatieuitwisseling met de pilotgemeenten. De gemeente Leeuwarden ziet haar project overigens wel als een eerste stap naar een breder bureau/loket. 

u Een deel van de extra middelen die wij van het Rijk ontvangen, zullen wij besteden aan de verdere uitbouw van de relatie tussen provinciaal werkende instellingen en voorzieningen enerzijds en gemeentelijk werkende instellingen en voorzieningen anderzijds. In 2001 betreft dit vooral de financiering van een deel van de kosten van de gestarte pilotprojecten en de start van mogelijk nieuwe projecten toegang tot de brede jeugdzorg (zie deel C).

1.2.6 Reductie residentiële capaciteit en ombouw naar ambulante hulpverlening 

Reeds een aantal jaren hebben wij in het Plan Jeugdhulpverlening gewezen op de nieuwe inzichten die op het terrein van de jeugdhulpverlening zijn ontstaan omtrent hulpverlening aan jeugdigen in een semi-residentiële en een residentiële setting. Ook in de Regiovisie Jeugdzorg zijn wij hier nader op ingegaan. Mede naar aanleiding van het feit dat wij de afgelopen jaren meer zicht hebben gekregen op de vraag naar jeugdhulpverlening en er sprake is van een structurele onderbezetting in een aantal sectoren, willen wij hierna uitgebreid ingaan op de landelijke en provinciale ontwikkelingen terzake, onze visie voor de toekomst ten aanzien van deze sectoren en de consequenties hiervan voor de middellange en de korte termijn. 

  1. Landelijke en provinciale ontwikkelingen
 
  1. Kerntaken landelijke en provinciale overheden 

De rijksoverheid is eindverantwoordelijk voor het totale aanbod van jeugdhulpverlening in Nederland. Een specifieke verantwoordelijkheid geldt voor het Rijk ten aanzien van o.a. de landelijke voorzieningen van jeugdhulpverlening. Dit zijn voorzieningen, waarvan het werkgebied is gericht op jeugdigen, afkomstig uit het hele land of grote delen daarvan. Het betreft voorzieningen die voorzien in een bovenprovinciale behoefte, ofwel qua methodiek ofwel qua identiteit.

De provinciale en grootstedelijke overheden zijn verantwoordelijk voor het aanbod in hun eigen provincie. Zij dienen daarbij te voorzien in een aanbod dat voldoet aan de behoefte, dus dat antwoord geeft op de daadwerkelijke vraag, zoals die binnen een provincie wordt vastgesteld. 

  1. Landelijke en provinciale trends 

Uit cijfers blijkt dat er een wachtlijst bestaat voor de hulp, die verleend wordt door landelijke voorzieningen, zijnde de jeugdgevangenissen, die hulp bieden aan jongeren met een zeer zware problematiek. Het tekort aan deze justitiële plaatsen betreft in 2000 220 cellen en in 2001 naar verwachting 80 cellen. 

Binnen de provincies neemt over het algemeen de behoefte aan residentiële capaciteit af, waartegenover een stijging van vraag naar ambulante hulpverlening staat (zie ook hierna). Vooropgesteld moet worden dat betrouwbare gegevens omtrent soorten wachtlijsten en wachttijden niet voorhanden zijn.

Echter, er is een duidelijke trend zichtbaar in alle provincies, welke bevestigd wordt door zowel het provinciale bestuur als de uitvoerders in andere provincies, van afname van vraag naar residentiële hulpverlening naar toename van vraag naar (intensieve) ambulante hulpverlening.

In alle provincies is - evenals in Fryslân - een tekort aan ambulante voorzieningen.

In de meeste provincies, waaronder in ieder geval Drenthe, Groningen, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Noord-Holland, Amsterdam en Zuid-Holland was resp. is sprake van onderbezetting in de (semi)residentiële voorzieningen van jeugdhulpverlening.

Al deze provincies zijn bezig met ombouw van residentieel naar (intensief) ambulant c.q. hebben een dergelijke ombouw achter de rug.

Wel blijft er volgens deze provincies vraag naar (bepaalde onderdelen van) (semi)residentiële jeugdhulpverlening. Daarbij wordt echter tevens aangegeven dat het terugdringen van de wachtlijsten voor het Bureau Jeugdzorg - hetgeen mogelijk is met de extra middelen hiervoor - nu reeds leidt tot een verminderde vraag naar (semi)residentiële voorzieningen. 

Deze verminderde vraag naar (semi)residentiële voorzieningen geldt ook in de provincies, waar van oudsher geen enkele of onvoldoende residentiële voorzieningen zijn opgericht, namelijk in Zeeland, Noord-Holland en Flevoland. Echter, omdat daar geen of onvoldoende residentiële voorzieningen aanwezig zijn, komen er met name vanuit Noord-Holland en Flevoland regelmatig aanvragen bij het Fries Zorgtoewijzingsorgaan binnen tot plaatsing van jeugdigen in Mooi Gaasterland te Rijs en Aekinga te Appelscha.

Vanuit Fryslân gaan er (praktisch) geen jeugdigen naar Flevoland en Noord-Holland.  

Ter illustratie de volgende cijfers:

  1. in 1998 is er 1 jeugdige vanuit Fryslân geplaatst naar Noord-Holland in een residentiële voorziening, terwijl er in totaal 27 jeugdigen resp. 5 jeugdigen vanuit Noord-Holland geplaatst zijn in Friese residentiële voorzieningen resp. semi-residentiële voorzieningen;
  2. in 1998 zijn er 3 jeugdigen vanuit Fryslân geplaatst naar Flevoland in de ambulante sector, terwijl er in totaal 19 jeugdigen vanuit Flevoland geplaatst zijn in Friese residentiële voorzieningen.

Voor Gelderland en Overijssel geldt dat in 1998 10 jeugdigen vanuit Fryslân naar deze provincies residentieel werden geplaatst ten opzichte van 24 jeugdigen, die vanuit Gelderland en Overijssel residentieel in Fryslân werden geplaatst.

Wat betreft de jeugdigen uit Groningen en Drenthe geldt, dat er reeds jaren sprake is van een evenredige uitwisseling, dat wil zeggen dat er een vergelijkbaar aantal jeugdigen vanuit Fryslân naar deze provincies als vanuit deze provincies naar Fryslân wordt geplaatst (ca. 30 jeugdigen). 

Omgerekend in verblijfsdagen is met het bovenstaande in totaal een bedrag van meer dan ƒ 2,5 miljoen gemoeid, welk bedrag de provincie Fryslân vanuit de eigen doeluitkering meer heeft betaald aan jeugdigen vanuit genoemde provincies, dan hetgeen die provincies hebben betaald aan jeugdigen vanuit Fryslân, terwijl de betrokken provincies - op Flevoland na - bezig zijn hun eigen residentiële voorzieningen af te bouwen en in Fryslân sprake is van een toenemende wachtlijst voor de (intensieve) ambulante sector. In voorgaande plannen hebben wij reeds aangegeven dat extra financiële middelen nodig zijn om deze wachtlijsten weg te werken. 

Ingaande 1999 werd zichtbaar dat de plaatsing vanuit andere provincies in (semi)residentiële voorzieningen in de provincie Fryslân afneemt. Dit heeft ten eerste te maken met veranderde visie op de hulpverlening en de instelling van de zorgtoewijzingsorganen (zie hierna).

Voor Flevoland geldt daarnaast, dat deze provincie meer extra middelen dan andere provincies krijgt, waarmee wordt gebouwd aan een eigen residentiële voorziening, waardoor de wachtlijst in de residentiële sector zal verdwijnen en er naar verwachting binnen 2 à 3 jaar minder tot geen beroep zal worden gedaan vanuit Flevoland op de residentiële voorzieningen in Fryslân te Rijs en Appelscha.

Hetzelfde wordt verwacht ten aanzien van Noord-Holland, waar ook nu sprake is van onderbezetting in de (semi)residentiële sector.

Daar komt bij dat de meeste provincies expliciet aangeven ernaar te streven jeugdigen in de eigen regio te helpen en op alle mogelijke wijze te voorkomen, dat jeugdigen vanuit de eigen regio moeten worden geplaatst in andere regio's, waaronder Fryslân. Ook hierdoor zal de vraag naar plaatsing in Aekinga en Mooi Gaasterland in de toekomst afnemen (zie hierna). 

  1. Lange termijnvisie 

De algemene afname van de vraag naar (semi)residentiële voorzieningen heeft te maken met de volgende uitgangspunten, welke tevens een belangrijk onderdeel van onze lange termijnvisie vormen. 

Uitgangspunt: Hulp gericht op het primaire leefmilieu 

Uitgangspunt voor het verlenen van hulp aan jeugdigen vormt de vraag van de cliënt. Vragen naar jeugdzorg komen rechtstreeks van ouders/opvoeders en/of jeugdigen (het primaire milieu) dan wel via de voorzieningen die in het secundaire milieu medeverantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding. De opvoedingssituatie vormt het uitgangspunt voor het formuleren van de concrete zorgbehoefte en vormt - waar mogelijk - tevens het startpunt van de zorg. Hulpverlening aan de jeugdige vraagt daarom vaak om hulp aan het gezin.

De kerntaak van het aanbod geïndiceerde (semi)residentiële jeugdhulpverlening is (meer of minder intensieve) orthopedagogische zorg in een setting, waarbij de jeugdige uit zijn oorspronkelijke opvoedingssituatie is gehaald en (gedurende een deel van of de gehele dag resp. dag en nacht) in een tehuis is geplaatst. Een uithuisplaatsing in een (semi)residentiële voorziening heeft veelal tot gevolg dat alleen de jeugdige object is van zorg en er binnen de thuissituatie niet of onvoldoende aan betere voorwaarden voor de opvoedingssituatie wordt gewerkt. Niet zelden wordt de betreffende jeugdige als gevolg van de fysieke scheiding van zijn ouders en sociale omgeving met nieuwe problemen geconfronteerd. 

Dit besef heeft in de afgelopen jaren binnen de (semi)residentiële zorg geleid tot een werkwijze, waarbij de directe sociale omgeving van de jeugdige veel meer bij de behandeling wordt betrokken. Ook in de pleegzorg wordt het belang van het betrekken van de eigen ouder in de pleegzorgbegeleiding (weer) erkend. 

Een vorm van hulpverlening, waarbij het betrekken van de directe sociale omgeving van de jeugdige bij de hulpverlening centraal staat, is de intensieve ambulante hulpverlening. Uit onderzoek blijkt dat de kans dat de jeugdige recidiveert nadat deze vorm van hulpverlening is geboden kleiner is dan nadat in vergelijkbare gevallen residentiële hulp is geboden. Het uit huis plaatsen van jeugdigen en afzonderen in een tehuis om hem/haar vervolgens na een bepaalde periode weer terug te plaatsen in het ouderlijk gezin zal er in veel gevallen toe leiden dat de jeugdige weer in oude gewoonten vervalt. 

Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat de wetgever in 1989 in art. 23 van de Wet op de Jeugdhulpverlening de bepaling heeft opgenomen dat hulpverlening zo dicht mogelijk bij huis, in een zo licht mogelijke vorm en voor een zo kort mogelijke periode moet worden verleend (het zogenaamde zo-zo-zo-uitgangspunt). Dit betekent een andere kijk op de uit de jaren zestig stammende filosofie om jeugdigen af te zonderen in de bossen of andere zogenoemde 'prikkelarme' omgeving. Het zo-zo-zo-uitgangspunt is ook in de Regiovisie Jeugdzorg van de Provincie Fryslân vastgelegd. 

Toch zal er - zoals ook uit de vraagcijfers blijkt - behoefte blijven aan uithuisplaatsing van jeugdigen, namelijk in die gevallen, waarin de thuissituatie voor de jeugdige te bedreigend is om vanuit die situatie hulp te bieden. Desalniettemin blijft het ook in deze gevallen van belang om - waar mogelijk - de uithuisplaatsing uit te voeren op een locatie, waarbij herkenning van de oorspronkelijke leefomgeving mogelijk is.

Daar komt bij dat, om ouders en het gezin bij de hulpverlening te kunnen betrekken, bereikbaarheid ook een belangrijke factor is, zowel voor de ouders als de jeugdige zelf. Tenslotte moet de locatie gemakkelijke verbindingen hebben met voorzieningen waar de hulpaanbieder mee samen moet werken, zoals de (para-)medische zorg, de ggz-jeugd en het (speciaal) onderwijs.

Ook de door ons gewenste samenwerking met het lokaal jeugdbeleid, het onderwijs en preventieve activiteiten maakt een betere bereikbaarheid noodzakelijk. Onder andere in de Regiovisie Jeugdzorg hebben wij het belang benadrukt van samenwerking met gemeenten en afstemming van de curatieve jeugdzorg op ontwikkelingen als de brede school en wijkgerichte ondersteuning. 

Andere provincies geven aan dat zij overeenkomstig bovengenoemd uitgangspunt ernaar streven om jeugdigen in de eigen regio en zo dicht mogelijk bij het ouderlijk milieu te plaatsen. Aangenomen kan dan ook worden dat er in de toekomst minder vraag naar plaatsing in Friese voorzieningen zal zijn.

  1.  
    Ontwikkelingen in Fryslân e.o.
 
  1. Uitgangspunt: van aanbodgericht naar vraaggericht 

Een ander punt dat in dit verband genoemd moet worden is de instelling in 1998 van het Fries Toewijzingsorgaan Jeugdzorg. Voor de instelling van dit toewijzingsorgaan stond het aanbod centraal bij de keuze waar en hoe hulp verleend diende te worden. Dat wil zeggen dat de plaatsers die de diagnose en indicatie vaststelden rechtstreekse contacten onderhielden met de tehuizen en geïnformeerd waren in hoeverre er plaatsen beschikbaar waren voor de jeugdigen. Mede door de financieringssystematiek was het voor de directie van de tehuizen van belang dat de bezetting van de tehuizen optimaal was. Niet zelden kwam het voor dat de plaatser de oorspronkelijk vastgestelde vraag inhoudelijk veranderde naar het aanbod dat beschikbaar was. 

Met de instelling van het Toewijzingsorgaan is er geen sprake meer van rechtstreekse contacten tussen plaatsers en de directie van tehuizen noch van verandering van de inhoudelijke vraag. De plaatsers bepalen welke zorg nodig is en het Toewijzingsorgaan bepaalt - als tussenliggende instantie - of die zorg er is en wijst bij een voldoende beschikbaar aanbod deze zorg toe.

Uit de cijfers van het Toewijzingsorgaan van de afgelopen jaren blijkt dat de vraag naar (semi)residentiële hulpverlening niet zo groot is als voorheen de bezetting van de betreffende capaciteit deed vermoeden.

Daar komt bij dat een belangrijk deel van met name de residentiële capaciteit op dit moment zoals gezegd nog wordt bezet door jeugdigen vanuit andere provincies, welke naar verwachting sterk zal afnemen.

Daarentegen blijkt dat de vraag naar intensieve ambulante hulpverlening groter is dan voorheen werd aangenomen. Een en ander heeft de afgelopen jaren geresulteerd in een structurele onderbezetting van de (semi)residentiële capaciteit en een groeiende wachtlijst voor de intensief ambulante capaciteit. 

  1. Ontwikkelingen binnen de Stichting Jeugdzorg Friesland 

Per 1 januari 1998 is fusie tussen de Stichting Jeugdzorg Friesland en de Stichting Bijzonder Jeugdwerk gerealiseerd en is de Stichting Jeugdzorg Friesland als multifunctionele organisatie voor jeugdhulpverlening in Fryslân werkzaam. Nog steeds heeft de fusie zijn doorwerking en is de Stichting bezig de gevolgen hiervan zoveel mogelijk in goede banen te leiden.

Gezien echter de huidige situatie kan met het nemen van maatregelen op korte termijn niet gewacht worden totdat de gevolgen van de fusie in zijn totale doorwerking uitgekristalliseerd zijn. Wij achten dan ook nu het moment aangebroken om de inhoudelijke en uitvoeringsaspecten van de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming in Fryslân voor de lange en de korte termijn aan te geven en in die zin orde op zaken te stellen. In hoofdstuk 3.1 geven wij aan dat er in 2001 in samenhang hiermee een extern onderzoek zou moeten plaatsvinden.

 
Conclusie lange termijnvisie:
 

Wij streven er voor de lange termijn naar om het aanbod van de (semi)residentiële jeugdhulpverlening in de provincie Fryslân op het peil te brengen waar behoefte aan is. Uit de cijfers van het Toewijzingsorgaan blijkt dat er vraag blijft naar (semi)residentiële hulpverlening. Echter, in mindere mate dan voorheen werd aangenomen.

Daarnaast streven wij ernaar om deze hulp meer te doen uitvoeren in de buurt van het oorspronkelijke leefmilieu van de jeugdige, teneinde de voorbereiding op het (weer) in de maatschappij functioneren, nadat de hulp is verleend, zo optimaal mogelijk te doen zijn.

De bovengenoemde uitgangspunten hebben consequenties voor de (semi)residentiële huisvesting. De fysieke infrastructuur in de provincie Fryslân zal in verband met genoemd uitgangspunt gespreid over de provincie moeten plaatsvinden, met inachtneming van de verschillende noodzakelijke behandelingsmethoden van de cliënten. 

Resumerend streven wij voor de lange termijn naar:

  1. behoud van een voldoende aanbod van (semi)residentiële jeugdhulpverlening in Fryslân;
  2. het meer in balans brengen van de capaciteit van (semi)residentiële jeugdhulpverlening en (intensief) ambulante jeugdhulpverlening;
  3. optimalisering van de uitvoering van de (semi)residentiële jeugdhulpverlening in Fryslân en een betere bereikbaarheid van de uitvoering van deze vormen van hulpverlening door een betere spreiding over de regio's. 

4. Middellange termijn 

In onze middellange termijnvisie staat het anticiperen op bovenstaande situatie centraal. Dat wil zeggen dat de tussenliggende periode vanaf nu totdat het bovenstaande gerealiseerd is, benut moet worden om een aantal zaken te onderzoeken. Er zal een Programma van eisen moeten worden opgesteld door de Stichting Jeugdzorg Friesland, waarin zowel de zorginhoudelijke, de bedrijfseconomische, de financiële consequenties als de consequenties voor de huisvesting van de lange termijnvisie uitgebreid onderzocht en uiteengezet moeten worden. 

Conclusie middellange termijn:

Wij verwachten van de Stichting Jeugdzorg Friesland een Programma van eisen, waarin de te nemen maatregelen voor de middellange termijn zijn opgenomen. Duidelijk moet worden, waar de hulpverlening op de lange termijn uitgevoerd moet worden, voor welke doelgroepen, waarom daar, welke eisen dit stelt aan de organisatie en welke financiële consequenties dit heeft. Wij zullen de Stichting Jeugdzorg Friesland expliciet verzoeken het Programma van eisen op te stellen. 

5. Korte termijn 

a. Afbouw capaciteit  

Voor de korte termijn geldt de problematiek van de structurele onderbezetting. Deze doet zich voor zowel in de semi-residentiële sector, de residentiële sector als de pleegzorg. Als gevolg van deze structurele onderbezetting worden lege plaatsen gefinancierd. Voor de Stichting Jeugdzorg Friesland betekent dit een structurele terugbetalingsverplichting. Teneinde de financiering van deze lege plaatsen stop te zetten, is het noodzakelijk dat op korte termijn de structureel onderbezette plaatsen worden afgebouwd.  

De verwachting is dat de structurele onderbezetting in de residentiële sector zal toenemen, onder meer omdat een aanzienlijk deel van de jeugdigen in Aekinga en Mooi Gaasterland afkomstig is uit andere provincies, met name Groningen, Drenthe, Flevoland en Noord-Holland, maar ook Gelderland en Overijssel. In al deze provincies is inmiddels sprake van onderbezetting in de residentiële sector, waardoor er meer ruimte komt om jeugdigen in de eigen provincie te plaatsen (zie ook hierboven). Voor Flevoland geldt bovendien, dat dit het geval is doordat daar met extra middelen nieuwe residentiële voorzieningen worden gebouwd. Tenslotte geldt, dat de provincies ernaar streven de jeugdigen uit hun provincie zoveel mogelijk in de eigen regio te plaatsen. 

De Stichting Jeugdzorg Friesland stelt voor om de volgende aantallen plaatsen te reduceren: 

Residentieel: van de 250 plaatsen:  39 plaatsen

Semi-residentieel: van de 137 plaatsen:  27 plaatsen

Pleegzorg: van de 310 plaatsen:   15 plaatsen

                        -----------------------------

Totaal:   81 plaatsen 

De omvang van de reductie achten wij redelijk in relatie tot de geconstateerde onderbezetting. Vanuit de kernbegrippen spreiding, bereikbaarheid en toegankelijkheid juichen wij het toe, dat de Stichting Jeugdzorg Friesland bij de reductie in de semi-residentiële sector ervoor gekozen heeft de drie bestaande locaties te handhaven. 

b. Sluiting Aekinga 

Concreet stelt de Stichting Jeugdzorg Friesland voor om Aekinga (55 plaatsen) te sluiten. De zorgvormen die nu op Aekinga worden uitgevoerd, zullen op een andere locatie - conform de hierboven bij de lange termijnvisie genoemde uitgangspunten - worden uitgevoerd. 

Gelet op het aantal te reduceren plaatsen en de toekomstige ontwikkeling die wellicht zal leiden tot een verdergaande vermindering van de vraag naar (semi)residentiële voorzieningen, zijn wij met de stichting van mening dat het niet gewenst is om de zogenaamde 'kaasschaafmethode' toe te passen. Deze methode houdt in dat er op elke locatie een gering aantal plaatsen wordt gereduceerd. Deze methode brengt zeer hoge kosten met zich, doordat de vaste kosten gelijk blijven, terwijl tevens een andere - minder geschikte - groepsomvang dient te worden gekozen. Beide gevolgen gaan ten koste van de kwaliteit van de zorg.

Gedeeltelijk openhouden leidt eveneens tot kwaliteitsverlies en heeft niet of nauwelijks invloed op de hoogte van de vaste kosten, zodat wij ook deze mogelijkheid afwijzen. Ter informatie kan worden genoemd dat de vaste kosten op jaarbasis ruim ƒ 1 miljoen bedragen.

Concluderend kiezen wij ervoor om de locatie Aekinga te Appelscha in zijn geheel te sluiten. 

Wij achten het van essentieel belang dat de Stichting Jeugdzorg Friesland aangeeft, wat er met de jeugdigen waaraan nu hulp wordt verleend in Aekinga, gaat gebeuren, indien deze locatie wordt gesloten. Het indienen van een herhuisvestingsplan t.a.v deze jeugdigen stellen wij dan ook als voorwaarde voor sluiting van Aekinga. Dit plan dient in elk geval te voldoen aan onze genoemde uitgangspunten. 

c. Inzet vrijkomende middelen als gevolg van de afbouw 

De vrijkomende middelen als gevolg van de afbouw zullen opnieuw volgens de regelgeving ingezet worden voor jeugdhulpverlening. Daarbij gaat het om:

  1. Het wegwerken van de ontstane wachtlijsten voor o.a. ambulante zorg: Families First, Hulp aan Huis, Kamertraining en Leefgroepen;
  2. Het ontwikkelen van nieuwe noodzakelijke vormen van zorg;
  3. Het geven van een kwaliteitsimpuls in het primair proces ('meer handen aan het bed').

De Stichting Jeugdzorg Friesland heeft reeds voorstellen ingediend om de vrijgekomen middelen voor deze onderdelen in te zetten. 

Conclusie korte termijn 

u De handhaving van 3 locaties, waar semi-residentiële hulp wordt verleend, ondersteunen wij. Voor de korte termijn geldt, dat Aekinga te Appelscha wordt gesloten. De Stichting Jeugdzorg Friesland dient in een plan aan te geven wat er gebeurt met de jeugdigen, waaraan nu hulp wordt verleend in Aekinga, na sluiting van Aekinga.

 
1.2.7 Normharmonisatie

Op dit moment zijn wij bezig met de voorbereiding van de invoering van de normharmonisatie. Gelet op bovenstaande ontwikkelingen in de jeugdzorg in Fryslân en de landelijke ontwikkelingen in het kader van de Wet op de Jeugdzorg, op basis waarvan - met behoud van de begrotingsfinanciering - een nieuwe financieringssystematiek in de jeugdzorg zal worden ingevoerd (zie ook hoofdstuk 2), willen wij de concrete invoering van de normharmonisatie betrekken bij de uitwerking van de hierboven genoemde middellange termijnvisie. Wij verzoeken de Stichting Jeugdzorg Friesland dan ook om in het Programma van eisen hiermee rekening te houden. 

 
Hoofdstuk 2 Relevante ontwikkelingen en randvoorwaarden
 
 

2.1 Landelijke ontwikkelingen 

In haar regeerakkoord heeft het tweede kabinet Kok een nieuwe Wet op de Jeugdzorg aangekondigd. De regering heeft aangegeven dat alle met het proces Regie in de Jeugdzorg geboekte vooruitgang (kwaliteitsbeleid, Bureaus Jeugdzorg/eenduidige toegang, beleidsinformatie en zorgprogrammering) in deze wetgeving wordt verankerd.

Naar aanleiding van het regeerakkoord is de Commissie Günther gevraagd om de regering te adviseren over de volgende zaken:

De commissie Günther heeft eind 1999 haar advies uitgebracht. De reacties op dat advies zijn uiteenlopend. Mede namens de provincie Fryslân heeft het IPO in een gezamenlijke reactie van alle provincies o.a. aangegeven dat de provincies de visie-elementen in het rapport steunen. D.w.z. versterking van voorliggende voorzieningen, pedagogische intensieve thuishulp, vraaggestuurd, duidelijk en passend aanbod en professionele en institutionele kwaliteit. Op deze plaats gaan wij niet uitgebreid op het advies in. Een aantal zaken die in het advies aan de orde komen, komen ook in dit meerjarenbeleidsplan aan de orde. 

Als vervolg op het advies op de commissie Günther heeft het Rijk een Task-force Wet op de Jeugdzorg ingesteld. Deze Task-force zal aan de hand van landelijke en regionale bijeenkomsten een aanzet geven voor de inhoud van het te concipiëren wetsvoorstel Wet op de Jeugdzorg. 

2.2 Randvoorwaarden 

Reeds in het vorige plan hebben wij opgemerkt dat extra financiële middelen noodzakelijk zijn om de wachtlijsten in de jeugdzorg weg te werken en de verdere uitbouw van sectoren mogelijk te maken. Het betreft vooral de toegangstaken en de (intensieve) ambulante sector. Hiervoor heeft het Rijk structureel extra middelen beschikbaar gesteld. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de besteding van die middelen verwijzen wij naar onderdeel C van dit plan.

 
Hoofdstuk 3 Organisatie jeugdhulpverlening
 
 

3.1 Jeugdzorg Friesland algemeen 

De Stichting Jeugdzorg Friesland is ontstaan uit een fusie van alle voorzieningen op het terrein van de (particuliere) jeugdbescherming en jeugdhulpverlening in de provincie Fryslân. In de jaren 1996 – 2000 heeft het accent gelegen op de organisatie van de toegangsfuncties (het Bureau Jeugdzorg) en een ordening van de zorgfuncties.

Per 1 januari 2000 is de Raad van Beheer van de Stichting Jeugdzorg Friesland omgevormd tot een Raad van Toezicht. De reden hiervan vormde de wens om te besturen op afstand en op hoofdlijnen. De algemeen directeur is vanaf die datum de eindverantwoordelijke bestuurder voor de gehele organisatie. 

In 1997 is een extern onderzoek uitgevoerd naar de meerwaarde van de mfo-vorming in Fryslân. Destijds is uitgesproken dat het van belang is, dat genoemd onderzoek na enkele jaren zou worden herhaald. Gelet op de huidige en de toekomstige ontwikkelingen op het terrein van de jeugdhulpverlening (zie hoofdstuk 1) achten wij het van belang dat een dergelijk extern onderzoek in 2001 opnieuw wordt uitgevoerd.

In dit onderzoek moeten twee aspecten aan de orde komen. Ten eerste moet duidelijk worden op welke wijze de organisatie van de mfo verder geoptimaliseerd moet worden. Ten tweede moet aangegeven worden hoe door de mfo op adequate wijze kan worden ingespeeld op de zorgvragen uit het veld.

De resultaten van het onderzoek zullen mede richtingbepalend zijn voor de door ons in hoofdstuk 1 geschetste middellange en lange termijnvisie. 

3.2 Bureau Jeugdzorg 

Het Bureau Jeugdzorg kent op dit moment nog drie vestigingen, te weten in Leeuwarden, Sneek en Drachten. Zoals hiervoor is aangegeven is het de bedoeling een nieuwe vestiging te openen in Heerenveen. Binnen het Bureau Jeugdzorg worden de toegangsfuncties uitgevoerd in overeenstemming met de systeemeisen, zoals geformuleerd door de Projectgroep Toegang. Daarnaast zijn de taken van de (particuliere) jeugdbescherming: (gezins)voogdij en jeugdreclassering in een herkenbare unit in het Bureau Jeugdzorg ondergebracht. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling maakt, met behoud van een rechtstreekse toegankelijkheid, onderdeel uit van het Bureau Jeugdzorg. Verder is per 1-1-2000 de intake-functie van de Raad voor de Kinderbescherming (de functies aanmelding en screening) overgedragen aan het Bureau Jeugdzorg. Tenslotte is het HALT-Bureau Friesland onderdeel van het Bureau Jeugdzorg met een koppeling naar jeugdreclassering. 
 
 

3.3 Ordening zorgfuncties en zorgprogrammering 

De door Jeugdzorg Friesland uit te voeren zorgfuncties zijn in de afgelopen jaren als volgt geordend:

In 2001 zullen wij het onderwerp zorgprogrammering verder gaan uitwerken. Daarbij geldt als uitgangspunt dat zorgprogrammering integraal moet worden uitgevoerd. Dat wil zeggen dat verschillende sectoren binnen de jeugdhulpverlening, maar waar mogelijk ook daarbuiten, samengestelde programma's leveren, die zoveel mogelijk op maat zijn toegesneden. De door ons gestimuleerde samenwerking tussen deze sectoren is een eerste aanzet om te komen tot gezamenlijke zorgprogrammering. Op onderdelen zijn organisaties al bezig om de (inhoudelijke en financiële) mogelijkheden van een gezamenlijk aangeboden zorgprogramma te onderzoeken. Dit geldt bijvoorbeeld voor de hulpverlening aan ADHD-kinderen, waar zowel de jeugdhulpverlening als de jeugd-GGZ bij betrokken is.

 
Hoofdstuk 4 Uitvoering jeugdhulpverlening
 
 

4.1 Inleiding 

4.1.1 Sectoren van jeugdhulpverlening

De Wet op de Jeugdhulpverlening verdeelt de jeugdhulpverlening in vier sectoren:

1. pleegzorg: hulpverlening, die wordt geboden in de vorm van het opnemen van een kind in een pleeggezin, en de begeleiding van pleegkinderen, pleegouders, ouders en stiefkinderen, die verband houdt met het opnemen van het kind in een pleeggezin,

2. semi-residentiële jeugdhulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige regelmatig gedurende een deel van een etmaal in een daarvoor bestemde inrichting verblijft,

3. residentiële jeugdhulpverlening: hulpverlening waarbij een jeugdige wordt opgenomen in een tehuis waarin dag en nacht hulp wordt geboden,

4. ambulante hulpverlening: hulpverlening, anders dan bedoeld onder de hiervoor genoemde drie vormen.

De Wet op de jeugdhulpverlening en aanverwante Algemene Maatregelen van Bestuur regelen de uitvoering en inhoud van bovengenoemde onderdelen van jeugdhulpverlening door de voorzieningen van jeugdhulpverlening. Tevens bevat deze wet regels ten aanzien van de uitvoering en organisatie van de jeugdbescherming door de (gezins)voogdij-instellingen. Van jeugdbescherming is sprake indien de rechter een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken, waarna de (gezins)voogdij-instelling zorg draagt voor de uitvoering hiervan. In het kader van deze uitvoering schakelt de (gezins)voogdij-instelling voorzieningen van jeugdhulpverlening in, waarin de hulpverlening aan de betrokken jeugdige zal plaatsvinden. Zoals gezegd, vallen de (gezins)voogdij-instellingen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie, die deze instellingen tevens financiert. 

4.1.2 Verschuivingen in het aanbod in 2001 en volgende jaren

Op de verschuivingen in het aanbod in 2001 en volgende jaren is reeds ingegaan in hoofdstuk 1. Deze verschuivingen doen zich voor in alle sectoren van jeugdhulpverlening.

4.2 Residentiële jeugdhulpverlening 

4.2.1 Tjallinga Hiem

De stichting Tjallinga Hiem biedt hulpverlening aan lichtverstandelijk gehandicapte jeugdigen en aan jeugdigen, waarvan de problematiek zich op het grensvlak van licht verstandelijk gehandicapt en jeugdhulpverlening bevindt. Hiertoe bezit Tjallinga Hiem een capaciteit van 50 resp. 25 plaatsen. In eerdere plannen is reeds aangegeven dat - aangezien de genoemde 25 plaatsen jeugdhulpverleningsplaatsen zijn - uitbreiding van de capaciteit van de overige 50 plaatsen noodzakelijk is.

In haar brief van 31 maart 2000 heeft Staatssecretaris Vliegenthart aangekondigd middelen beschikbaar te stellen voor een versnelde aanpak van de wachtlijsten in de sector gehandicaptenzorg. Op grond daarvan zal per 1 januari 2001 door middel van aanvullende productieafspraken ex AWBZ, de capaciteit van Tjallinga Hiem worden uitgebreid met 25 plaatsen. Dit zal geschieden in de vorm van Persoons Volgende Budgetten. 

Inmiddels hebben Jeugdzorg Friesland en Tjallinga Hiem een overeenkomst afgesloten over de wijze waarop in de periode tot 2001 zal worden samengewerkt. In deze periode moet –onder voorbehoud van opname in de bouwprioriteiten -tevens een geruisloze overgang van capaciteit worden voorbereid naar Jeugdzorg Friesland, zonder dat dit de continuïteit van de hulpverlening aan de betrokken jongeren in gevaar brengt. 

Wij gaan ervan uit dat uitbreiding per 2001 gerealiseerd is en dat de vrijkomende middelen volledig ingezet kunnen worden voor die vormen van jeugdhulpverlening waarvoor nu wachtlijsten bestaan. Daarbij gaat het zoals gezegd o.a. om een aantal vormen van intensieve ambulante jeugdhulpverlening, kamertraining en leefgroepen.

In de loop van 2000 zullen wij met de Stichting Jeugdzorg Friesland concrete produktieafspraken maken omtrent de inzet van deze middelen. 

u In de loop van 2000 maken wij concrete produktieafspraken met Jeugdzorg Friesland over de inzet van de middelen, die gepaard gaan met de overgang van de 25 plaatsen van Tjallinga Hiem zowel op korte termijn als lange termijn. 

4.3 Overigen 

4.3.1 Diagnostisch Centrum bij vermoedens van sexuele kindermishandeling

Dit centrum is sinds de oprichting gevestigd te Groningen. Mede op verzoek van de noordelijke provincies heeft het Universitair Centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het Academisch Ziekenhuis te Groningen ingaande 1 januari 1996 de uitvoeringsverantwoordelijkheid voor het centrum op zich genomen.

Inmiddels heeft het Diagnostich Centrum bij het Rijk een verzoek ingediend, welk verzoek is gesteund door de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe, om erkend te worden als landelijke voorziening van jeugdhulpverlening en om als zodanig gefinancierd te worden door het Rijk. 

In afwachting daarop zullen wij, teneinde voortzetting van deze belangrijke voorziening te garanderen en onder de voorwaarde van financiering door de andere financiers, ook in 2001 middelen beschikbaar stellen aan het Diagnostisch Centrum naar rato van de doeluitkering. 

u De subsidie aan het Diagnostisch Centrum Groningen wordt in 2001 gehandhaafd. 

4.3.2 Commissie toetsing plaatsingen in jeugdhulpverlening

Wij hebben reeds in 1994 aangegeven, dat wij een onafhankelijke commissie van deskundigen nodig vonden om de taken uit te voeren, die voorheen door het wettelijk geregelde jeugdhulp adviesteam (JHAT) werden uitgevoerd. Vanuit onze verantwoordelijkheid achten wij het van belang, dat een commissie van door ons aangewezen externe deskundigen regelmatig de plaatsingen in de geïndiceerde zorg beoordeelt en de mogelijkheid heeft om de provincie of participerende organisaties gevraagd of ongevraagd te adviseren over aspecten die met plaatsing van jongeren te maken hebben. Door de ontwikkelingen in de jeugdzorg is vervolgens in de afgelopen jaren afgewacht of een dergelijke commissie nog gewenst en nodig is en hoe de samenstelling van deze commissie eruit moet zien.  

Op dit moment verricht het Fries Toewijzingsorgaan Jeugdzorg een deel van de bovengenoemde taken, waarop toezicht wordt uitgeoefend door een door Jeugdzorg Friesland ingesteld College van Toezicht. Indien in de toekomst de taken van het Bureau Jeugdzorg integraal worden uitgevoerd, zal het nodig zijn om het bestaande College van Toezicht aanvullend te bemensen vanuit andere sectoren. Een bredere samenstelling van het College en kennis vanuit verschillende sectoren wordt dan noodzakelijk om de plaatsingen deskundig en onafhankelijk te beoordelen.

De Stichting Jeugdzorg Friesland komt binnenkort met een voorstel voor een meer integrale bemensing van het huidige College van Toezicht.

Afhankelijk van de ontwikkelingen in de toegang tot de jeugdzorg moet worden bezien hoe de werkwijze en de invulling van deze commissie op lange termijn moet worden vormgegeven. 

u Voor de Commissie Toetsing Plaatsingen in jeugdhulpverlening handhaven wij ook in 2001 het geoormerkte bedrag van ƒ 50.000,-. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de toegang tot de jeugdzorg moet worden bezien hoe de werkwijze en de invulling van deze commissie op lange termijn moet worden vormgegeven. 
 

 
Hoofdstuk 5 Experimenten/projecten
 

5.1 Regiovisie 

Voor de inhoud van de projecten die in het kader van de Regiovisie Jeugdzorg worden gestart verwijzen wij naar hoofdstuk 1 van dit plan.

5.2 Jeugdhulpverlening-onderwijs 

Het project 'Onderwijs-Jeugdhulpverlening', gericht op een betere aansluiting tussen jeugdhulpverlening en onderwijs is in de loop van 1999 van start gegaan.

Het project bestaat uit de volgende vijf deelprojecten die onderling een duidelijke relatie hebben:

  1. Het opzetten van regulier ambtelijk en bestuurlijk overleg m.b.t. de aansluiting van onderwijs en jeugdzorg;
  2. Het nader stimuleren van zorgvoorzieningen in het primair onderwijs, waarbij met name vorderingen kunnen worden gemaakt op het terrein van de integratie van indicatiestelling en het ontwikkelen een systeem van digitale dossiervorming dat door allerlei instanties – zoals onderwijs, jeugdzorg, thuiszorg ed. – gezamenlijk kan worden gebruikt;
  3. Het nader stimuleren van zorgvoorzieningen in het voortgezet onderwijs, waarbij met name een koppeling met centrale opvang en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten van belang is. Daarbij zal ook gekeken moeten worden naar mogelijkheden om de leerlingenzorg binnen het voortgezet onderwijs te verbeteren;
  4. In nauwe relatie met het vorige punt wordt er extra aandacht besteed aan de taken en de expertise van de regionale expertisecentra in relatie tot de taken en de expertise van de Stichting Jeugdzorg Friesland. Het gaat hier vooral om het zeer speciaal onderwijs t.b.v. kinderen met ernstige gedragsmatige en psychiatrische problematiek (cluster 4);
  5. De wenselijkheid om de educatiecomponent binnen de residentiële voorzieningen zodanig aan te passen dat er sprake is van onderwijs dat door het ministerie als zodanig wordt erkend.  

Bij het opstarten van projecten die betrekking hebben op de bovengenoemde speerpunten hebben wij ons gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

Een kort overzicht van de projecten die inmiddels zijn opgestart, levert het volgende beeld op.  

 
5.2.1 Dossiervorming in de voor- en vroegschoolse periode
 

De provincie heeft de wenselijkheid van een gezamenlijk optreden van allerlei organisaties op het terrein van onderwijs, jeugdzorg en gezondheidszorg e.d. neergelegd in een notitie. Op basis van deze notitie hebben GCO Fryslân en de Stichting Partoer het initiatief genomen om een aantal organisaties voor dit project te interesseren. De betreffende organisaties hebben positief gereageerd en er wordt nu bestudeerd welke gegevens op welke manier in de dossiers worden opgenomen en hoe zaken als actualiteit, betrouwbaarheid en privacy van de gegevens geregeld kunnen worden.  

      1. Participatie van Jeugdzorg in de RMC-consultatieteams 

De Stichting Jeugdzorg Friesland (SJF) heeft een projectvoorstel gedaan om twee orthopedagogen van de instelling te laten participeren in de consultatieteams van de Regionale Meld- en Coördinatiepunten (RMC's). Door deze participatie zal de werkwijze van deze teams nader gestandaardiseerd kunnen worden, zal een snellere indicatiestelling richting instellingen voor jeugdzorg kunnen plaatsvinden en kunnen er impulsen worden gegeven naar het voortgezet onderwijs t.a.v. de systematische leerlingbegeleiding binnen deze onderwijsinstellingen. Inmiddels is er een duidelijke vooruitgang geboekt op het terrein van standaardisering van aanmelding, dossiervorming, verwijzing etc. Er zijn tevens maatregelen genomen die moeten garanderen dat een jongere die in aanmerking zou kunnen komen voor de geïndiceerde jeugdzorg vrij snel door SJF wordt onderzocht i.v.m. een indicatiestelling. De twee orthopedagogen nemen bij dergelijke situaties een eerste deel van de nadere diagnose voor hun rekening en dragen het vervolg snel over aan een collega die het onderzoek i.v.m. de indicatiestelling afrondt. 

      1. Erkende educatie binnen residentiële voorzieningen en het project ‘Daghulp en centrale opvang’ te Drachten 

De doelstelling van dit project is te komen tot een door het ministerie van OC&W erkende vorm van onderwijs in het totale educatieprogramma van de residentiële voorzieningen en het project 'daghulp en centrale opvang' in Drachten. 
Ten behoeve van dit project is een speciale stuurgroep gevormd met vertegenwoordigers van de betrokken instanties: SJF, het Friesland College, regio de Friese Wouden, de Prof. Grewelschool en de provincie. Deze stuurgroep heeft alle relevante aspecten van een dergelijk project uitgewerkt in een plan van aanpak en is momenteel bezig om de activiteiten uit het plan van aanpak ook concreet uit te voeren. De werkgroep heeft een voorstel gedaan over de wijze waarop de SJF en de cluster-4-scholen op korte termijn kunnen gaan samenwerken. 
 
 
 

      1. REC-vorming in cluster 4 

Op verzoek van diverse instanties, waaronder de betrokken scholen in Fryslân, houdt de provincie zich in samenwerking met GCO Fryslân bezig met de vorming van de Regionale Expertisecentra in dit cluster. Het doel van deze activiteit is na te gaan of er op het niveau van de provincie Fryslân een zodanige samenwerking kan worden gerealiseerd, dat er sprake is van één Friese organisatie. Op deze wijze kan de relatie met het reguliere onderwijs en de jeugdzorg op eenduidige wijze worden vormgegeven. 
Deze activiteit zal op zeer korte termijn meer duidelijkheid moeten bieden over de participatie van de betreffende scholen in een gezamenlijke organisatie in het kader van een REC. Daarbij is het accent nadrukkelijk bij de inhoud gelegd. De 'Wegbereiders' (het procesmanagement van het Ministerie van OC&W) zijn de laatste tijd druk bezig om de organisatorische aspecten van de REC-vorming te begeleiden. Bij deze gezamenlijke inspanning is er inmiddels sprake van een goede afstemming tussen provincie en de 'Wegbereiders'.
 

u Ten behoeve van het project Onderwijs-jeugdhulpverlening stellen wij ook in 2001 een bedrag van ƒ 150.000,- beschikbaar.

5.2.5 Extra Lange Dagzorg

Extra lange dagzorg wordt verleend door de Witakkerschool te Rijs. Wij zijn ons bewust van het belang van deze functie. Kinderen kunnen opgevangen worden na schooltijd, waardoor er rust wordt gecreëerd in de opvoedingssituatie en de ouders kunnen worden bijgestaan bij de opvoeding, zodat een uithuisplaatsing alsnog kan worden voorkomen. De functie heeft dus een preventieve werking.

Aangezien het geen kerntaak van de geïndiceerde jeugdhulpverlening betreft, moeten ook t.a.v. deze functie in het kader van het project 'Onderwijs-jeugdhulpverlening' de verantwoordelijkheden van de verschillende sectoren duidelijk worden.

Totdat hierover meer duidelijkheid is verkregen, zijn wij bereid de subsidie aan de Witakkerschool te Rijs hiervoor te verlengen.

Wij juichen de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdzorg op dit punt toe. Naast deze samenwerking achten wij het van belang dat de Witakkerschool nauwer gaat samenwerken met de scholen die participeren in het Regionaal Expertisecentrum Noord-Nederland cluster 4 (RENN4). 

 

5.3 Ervaringsleren 

Het project Ervaringsleren Leeuwarden bevat een programma-aanbod, gericht op oudere jeugd, waarbij gebleken is c.q. de verwachting leeft dat het reguliere programma-aanbod geen soelaas biedt.

Het programma bestaat erin dat aan een jeugdige een 'laatste kans' wordt geboden, waarvoor hij/zij zelf moet kiezen en waarbij het programma bestaat uit een periode van 5 maanden zwaar lichamelijk werk verrichten in een onbekende omgeving, gevolgd door een na-traject van 6 maanden gericht op het voorzien in de basisvoorwaarden van (zelfstandig) wonen en inkomen/werk. Het project heeft de afgelopen periode laten zien, dat het in een duidelijke behoefte voorziet en dat de gestelde doelen realistisch zijn. Wij zijn voornemens om met Jeugdzorg Friesland overleg te voeren over structurele financiering van de functie Ervaringsleren in de toekomst. De functie kan in de nieuwe zorg-unitstructuur van Jeugdzorg Friesland worden ondergebracht in de unit zelfstandigheidstraining (capaciteit: 8 plaatsen). 

u M.b.t. het project Ervaringsleren in Leeuwarden zullen wij in overleg met Jeugdzorg Friesland en na normering, structurele financiering van deze functies doorvoeren. 

5.4 Project Opvang van criminele jongeren 

In 1998 heeft de Provincie Fryslân in het kader van het Convenant Grotestedenbeleid, gesloten met de gemeente Leeuwarden, een bedrag van ¦ 20.000,- toegekend aan de stichting Het Buro voor het project Opvang van criminele jongeren. Dit project is reeds in 1996 gestart en is de eerste anderhalf jaar alleen door de gemeente Leeuwarden gefinancierd. Op de inhoud van dit project is in voorgaande plannen reeds ingegaan. De resultaten van het project zijn positief. 

u Naar aanleiding van de evaluatie van het project Opvang van criminele jongeren, uitgevoerd door de stichting Het Buro, wordt overleg gevoerd met de andere financiers, zijnde de gemeente Leeuwarden en de Raad voor de Kinderbescherming over mogelijke positionering van deze activiteiten binnen het kader van de brede jeugdzorg en (de voorwaarden m.b.t.) mogelijke structurele subsidiëring van dit project.  
 
 

 
Hoofdstuk 6 Kwaliteitszorg en cliëntenbeleid
 
 

6.1 Cliëntenbeleid 

Op het terrein van het cliëntenbeleid is momenteel de vraag actueel in hoeverre de cliënten kunnen worden betrokken bij de beleidsvorming van de jeugdzorg. Te denken hierbij valt aan participatie van cliënten zelf en/of een cliëntenorganisatie, die representatief is voor de cliënten die in aanraking komen met instellingen en voorzieningen op het terrein van de jeugdzorg.

Een optimaal model wat betreft cliëntenparticipatie is naar onze mening dat deze plaatsvindt zowel vanuit cliëntenraden als vanuit cliëntenorganisaties. Door de instellingen op het terrein van de jeugdzorg, te weten jeugdhulpverlening en jeugdbescherming en de (geestelijke) jeugdgezondheidszorg, moeten cliëntenraden worden ingesteld. 

Wat betreft de participatie door cliëntenorganisaties op het terrein van de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming zijn in de provincie Fryslân de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en de Stichting Minderjarigen Noord-Nederland actief.

De Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen treedt op als belangenbehartiger voor een specifieke doelgroep, namelijk de pleeggezinnen. Zij overlegt o.a. met de Voorziening voor Pleegzorg over tal van zaken op het terrein van de pleegzorg. De Stichting Minderjarigen Noord-Nederland treedt op namens cliënten in de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming. Concreet helpt zij cliënten die in aanraking (willen) komen met instellingen voor jeugdhulpverlening of jeugdbescherming.

Bij het Provinciaal Patiënten- en Consumentenplatform (PPCP) is een provinciale klachtenondersteuner jeugdhulpverlening en jeugdbescherming aangesteld. Deze klachtenondersteuner staat cliënten terzijde bij de indiening van klachten, gericht tegen uitvoerders van voorzieningen van jeugdhulpverlening of de (gezins)voogdij-instelling. Verder vertegenwoordigt het PPCP cliënten in de gehele gezondheidszorg, waaronder jeugdigen. Het PPCP wil als belangenbehartiger haar werkgebied uitbreiden naar de jeugdhulpverlening en de jeugdbescherming.

Op landelijk niveau is het Platform van Samenwerkende Cliëntenorganisaties op het terrein van het personen- en familierecht actief. Veel van de leden van de aangesloten organisaties hebben als cliënt te maken (gehad) met een, na een echtscheiding, vastgestelde omgangsregeling met hun kinderen of een uitgesproken kinderbeschermingsmaatregel. Hun belang richt zich dan ook meer tot de raad voor de kinderbescherming dan de instellingen en voorzieningen van jeugdzorg. 

Wat betreft de deelname als cliëntenorganisatie aan de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg heeft het PPCP aangeboden deze taak te willen vervullen. Het PPCP zullen wij vragen ons aan te geven op welke wijze dit platform denkt te kunnen participeren bij de beleidsvorming. Naar aanleiding van het betreffende plan van aanpak zullen wij tot besluitvorming overgaan. 

Een passend kader, waarbinnen de participatie van cliënten kan plaatsvinden is naar onze mening de Werkgroep Regiovisie Jeugdzorg. Deze Werkgroep kan voor de voorbereiding en uitwerking van concrete thema’s en waar dat mogelijk en zinvol is, concrete groepen van cliënten, cliëntenraden of andere cliëntenorganisaties aanschrijven met het verzoek hun medewerking hieraan te verlenen. Op deze wijze wordt de visie van de cliënten meegenomen in de besluitvorming en uitvoering zowel in algemene als in meer concrete zin. 

u Met het PPCP zullen wij overleg voeren over de deelname van het PPCP aan de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg.

 
 


Hoofdstuk 7 Huisvesting jeugdhulpverlening
 
 

7.1 Algemeen 

In het kader van de in hoofdstuk 1 genoemde afbouw in de semi-residentiële en de residentiële sector hebben wij reeds aangegeven, dat wij van de Stichting Jeugdzorg Friesland een Programma van Eisen verwachten, waarin onder andere een huisvestingsplan voor de korte en de lange termijn is opgenomen. 

 
 Deel B: Jaarplan jeugdhulpverlening 2001
 

 
Hoofdstuk 1 Beleidsvoornemens voor 2001 (samenvatting)
 

In het Beleidsplan (Deel A) zijn de voornemens voor het jaar 2001 opgenomen in de meerjarenvisie/-planning voor de periode 2001-2004. De samenhang tussen langere termijnplanning en de uitvoering op korte termijn in het eerste jaar van de komende planperiode is daarmee gewaarborgd. Teneinde een samenhangend geheel te kunnen presenteren van de voornemens 2001 en financiën 2001 geven wij in dit hoofdstuk een overzicht van de beleidsvoornemens voor 2001. In hoofdstuk 2 van dit jaarplan zijn de financiële consequenties aangegeven in het kader van de totale besteding van de beschikbare middelen voor de jeugdhulpverlening. Hoofdstuk 3 bevat het door het Ministerie van VWS verzochte format met de plangegevens 2001-2004. 
 

Organisatie jeugdhulpverlening 

u Voor de Commissie Toetsing Plaatsingen in jeugdhulpverlening handhaven wij ook in 2001 het geoormerkte bedrag van ƒ 50.000,-. Afhankelijk van de ontwikkelingen in de toegang tot de jeugdzorg moet worden bezien hoe de werkwijze en de invulling van deze commissie op lange termijn moet worden vormgegeven. 

Regiovisie 

u Ook in 2001 zal veel aandacht uitgaan naar de bevordering van de samenwerking met gemeenten en organisaties uit aanpalende sectoren, onder andere ten behoeve van de bevordering van de totstandkoming van een integrale toegang tot de jeugdzorg. Expliciet zullen wij aandacht besteden aan participatie van cliënten in de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg. 

Toegang tot de jeugdzorg / Bureau Jeugdzorg / Wachtlijsten 

u In de jaren 2001 en volgende ontvangt de provincie structureel extra middelen ten behoeve van de optimalisering van de toegang tot de jeugdzorg. De verdeling van deze middelen is opgenomen in het Implementatieplan Intensiveringsmiddelen Toegang tot de Jeugdzorg 2000-2002 Provincie Fryslân, dat is opgenomen in deel C van dit plan. De extra middelen zullen voor de volgende onderdelen worden ingezet:

  1. Wegwerken van de wachtlijsten van het Bureau Jeugdzorg;
  2. Verdere uitbouw functies Bureau Jeugdzorg;
  3. Verdere uitbouw samenwerking met GGZ-jeugd Friesland;
  4. Verdere optimalisering samenwerking op gemeentelijk niveau. In 2001 betreft dit vooral de financiering van een deel van de kosten van de gestarte pilotprojecten en de start van mogelijk nieuwe projecten toegang tot de brede jeugdzorg. 
     

Ambulante hulpverlening 

u De subsidie aan het Diagnostisch Centrum Groningen wordt in 2001 gehandhaafd. 

Afbouw capaciteit 

u In totaal worden er per 1 januari 2001 de volgende aantallen plaatsen afgebouwd: 

Residentieel: van de 250 plaatsen:  39 plaatsen

Semi-residentieel: van de 137 plaatsen:  27 plaatsen

Pleegzorg: van de 310 plaatsen:   15 plaatsen

De handhaving van 3 locaties, waar semi-residentiële hulp wordt verleend, ondersteunen wij. 

u De handhaving van 3 locaties, waar semi-residentiële hulp wordt verleend, ondersteunen wij. Voor de korte termijn geldt, dat Aekinga te Appelscha wordt gesloten. De Stichting Jeugdzorg Friesland dient in een plan aan te geven wat er gebeurt met de jeugdigen, waaraan nu hulp wordt verleend in Aekinga, na sluiting van Aekinga.  

Residentiële hulpverlening 

u In de loop van 2000 maken wij concrete produktieafspraken met Jeugdzorg Friesland over de inzet van de middelen, die gepaard gaan met de overgang van de 25 plaatsen van Tjallinga Hiem zowel op korte termijn als lange termijn. 

Experimenten en projecten 

u Ten behoeve van het project Onderwijs-jeugdhulpverlening stellen wij ook in 2001 een bedrag van ¦ 150.000,- beschikbaar. 

verschillende partijen ten aanzien van de Extra Lange Dagzorg, zijn wij bereid ook in 2001 subsidie aan de Witakkerschool te Rijs hiervoor te verlenen. 

u M.b.t. het project Ervaringsleren in Leeuwarden zullen wij in overleg met Jeugdzorg Friesland en na normering, structurele financiering van deze functies doorvoeren. 

u Naar aanleiding van de evaluatie van het project Opvang van criminele jongeren, uitgevoerd door de stichting Het Buro, wordt overleg gevoerd met de andere financiers, zijnde de gemeente Leeuwarden en de Raad voor de Kinderbescherming over mogelijke positionering van deze activiteiten binnen het kader van de brede jeugdzorg en (de voorwaarden m.b.t.) mogelijke structurele subsidiëring van dit project.  

Kwaliteitszorg, cliëntenbeleid en klachtenbehandeling 

u Met het PPCP zullen wij overleg voeren over de deelname van het PPCP aan de beleidsvorming op het terrein van de jeugdzorg. 

 
Hoofdstuk 2 Financiën (incl. aanbod jeugdhulpverlening)

 
 
 
 
Hoofdstuk 3 Format aanlevering plangegevens 2001-2004

 
 

       Deel C: Implementatieplan Intensiveringsmiddelen

                         Toegang tot Jeugdzorg 2000-2002 
Inleiding
 

Op basis van de meerjarenafspraken Toegangsfuncties Bureaus Jeugdzorg ontvangt de provincie Fryslân structureel de volgende bedragen ten behoeve van de optimalisering en intensivering van de toegang tot de jeugdzorg: 

2000*

2001*

2002 ev. jaren*

ƒ 2.706.625,-

ƒ 3.461.769,-

ƒ 3.924.000,- structureel

* Het betreft de bedragen inclusief de extra middelen ad ƒ 515.000,- die in 1999 door de provincie Fryslân zijn ontvangen en ten aanzien waarvan wij een separate verantwoording zullen overleggen. 
 

Wij zijn voornemens de extra middelen te besteden aan de volgende onderdelen van de toegang tot de (brede) jeugdzorg: 

  1. Wegwerken wachtlijsten Bureau Jeugdzorg;
  2. Verdere uitbouw functies Bureau Jeugdzorg;
  3. Verdere uitbouw samenwerking met GGZ-jeugd Friesland;
  4. Verdere optimalisering samenwerking op gemeentelijk niveau. 

Om een evenwichtige uit- c.q. opbouw van alle aspecten mogelijk te maken hebben wij ervoor gekozen om de extra middelen van het Rijk volgens het volgende groeimodel te besteden: 

 

2000

2001

2002 ev. jaren*

1. Wegwerken wachtlijsten BJZ

ƒ 1.486.625,- 

ƒ 1.500.000,- 

ƒ 1.500.000,- 

2. Uitbouw functies BJZ

ƒ 460.000,-

ƒ 1.201.769,-

ƒ 1.664.000,-

3. Uitbouw samenwerking GGZ-jeugd

ƒ 100.000,- 

ƒ 100.000,- 

ƒ 100.000,- 

4. Optimalisering samenwerking op gemeentelijk niveau

ƒ 660.000,- 
 

ƒ 660.000,- 
 

ƒ 660.000,- 
 

Totaal:

ƒ 2.706.625,-

ƒ 3.461.769,-

ƒ 3.924.000,-

* De bedragen met betrekking tot het jaar 2002 ev. zijn vastgesteld op grond van de toekomstverwachtingen zoals die op dit moment bestaan. Wij maken het voorbehoud om naar aanleiding van evaluaties en mogelijk bijgestelde verwachtingen in het Implementatieplan 2002 een herzien voorstel op te nemen t.a.v. de besteding van de bedragen in deze jaren. 
 
Hieronder volgt de motivering van ons verdelingsvoorstel. Daarbij gaan wij zowel in op de beleidslijn voor de lange termijn, als op de nadere concretisering voor de jaren 2000 en 2001. Voor 1 mei 2001 zullen wij bij u het Implementatieplan Intensiveringsmiddelen 2002 indienen. 

 

1. Wegwerken wachtlijsten Bureau Jeugdzorg 

In 1996 is het Bureau Jeugdzorg van start gegaan. Het Bureau Jeugdzorg valt organisatorisch onder de Stichting Jeugdzorg Friesland, de multifunctionele organisatie die in Fryslân verantwoordelijk is voor de uitvoering van jeugdhulpverlening. In de daaropvolgende jaren zijn de toegangsfuncties: aanmelding, screening, (pre)diagnostiek, indicatiestelling, plaatsing/zorgtoewijzing en casemanagement geïmplementeerd en worden deze zoveel mogelijk conform de landelijk vastgestelde systeemeisen uitgevoerd. Een optimale uitvoering werd en wordt echter belemmerd door gebrek aan voldoende financiële middelen. Alleen al voor het jaar 2000 is het tekort voor een optimaal geëquipeerd Bureau Jeugdzorg berekend op ƒ 2.371.348,- (zie hiervoor uitgebreid Het Ondernemingsplan Bureau Jeugdzorg 2000). In 2001 zal dit tekort, gezien de verwachte groei in de komende jaren, nog groter zijn.

Het gebrek aan voldoende middelen heeft geleid tot wachtlijsten voor een aantal van de genoemde uit te voeren functies. Op peildatum 1-3-2000 was het gemiddeld aantal wachtenden voor met name de functies, uit te voeren na de aanmelding en screening, ca. 100 personen met een wachttijd oplopend tot meer dan een half jaar.

Nu het Rijk extra middelen ten behoeve van de toegang tot de jeugdzorg beschikbaar heeft gesteld en het wegwerken van de wachtlijsten een hoge prioriteit heeft, mede gezien de verwachte groei van aanmeldingen in de komende jaren, zijn wij voornemens deze middelen voor een belangrijk deel hiervoor in te zetten.

2. Verdere uitbouw functies Bureau Jeugdzorg 

Naast het wegwerken van de wachtlijsten voor de toegangsfuncties van het Bureau Jeugdzorg is het noodzakelijk dat – mede gezien de verwachte toename van de vraag – er een verdere uitbouw van de toegangsfuncties plaatsvindt. Het gaat hierbij zowel om de verdere optimalisering van de kwaliteit en kwantiteit van reeds door het Bureau Jeugdzorg uitgevoerde functies als om het opstarten van nog niet door het Bureau Jeugdzorg uitgevoerde, maar wel noodzakelijke, functies. Bij de eerstbedoelde functies gaat het met name om de functies: aanmelding, screening, (pre)diagnostiek, indicatiestelling, plaatsing/zorgtoewijzing en casemanagement en de functies die worden uitgevoerd door het AMK. Bij de laatstbedoelde functies betreft het de licht ambulante hulpverleningsvormen zoals o.a. informatie en advies, consultatie, deskundigheidsbevordering en het Project ambulante intensieve gezinsbehandeling. Onderzoek heeft uitgewezen dat het aanbieden van deze licht ambulante hulpverleningsvormen preventief werkt en in concrete gevallen ertoe kan leiden dat zwaardere hulpverleningsvormen achterwege kunnen blijven.

Door inzet van de extra middelen voor deze activiteiten verwachten wij tevens dat ten aanzien van andere activiteiten de wachtlijsten en –tijden zullen verminderen. 

Daarnaast zal met ingang van 2001 ook een extra bedrag worden uitgetrokken ten behoeve van de invulling, ontwikkeling en uitbouw van de toegangsfuncties die zullen worden uitgevoerd in de nieuwe vestiging van het Bureau Jeugdzorg in Heerenveen (zie 4 onder d). Over de definitieve uitwerking hiervan wordt op dit moment tussen de betrokken partijen intensief overleg gevoerd. 

3. Verdere uitbouw samenwerking met GGZ-jeugd Friesland 

Reeds vanaf 1998 participeert de GGZ-jeugd Friesland in het Bureau Jeugdzorg, met name bij de uitoefening van de functie Aanvullende Diagnostiek. In januari 2000 hebben Jeugdzorg Friesland en GGZ-jeugd Friesland een akkoord gesloten, dat inhoudt dat beide organisaties ernaar streven om te komen tot verdere samenwerking met als doel de toegang tot de geïndiceerde jeugdzorg conform ‘Regie in de Jeugdzorg’ voor te bereiden, te implementeren en uit te voeren (zie Het Hatzummerakkoord).

Naar aanleiding van Het Hatzummerakkoord is een onafhankelijke buitenstaander gevraagd te adviseren over de stappen die in dit verband gezet moeten worden. Uitgangspunt hierbij vormen ‘Regie in de Jeugdzorg’ en de toepasselijke wettelijke en financiële kaders. Naar aanleiding van dit advies zal de feitelijke ontwikkeling naar een concrete integrale toegang gerealiseerd moeten worden. In dit kader moet tevens worden opgemerkt dat de vestiging van het Bureau Jeugdzorg te Sneek ingaande medio 2000 zal worden gehuisvest binnen het bestaande pand van de GGZ-jeugd te Sneek.

Wij juichen deze ontwikkeling van toenemende integratie toe. Wij zijn voornemens om met de GGZ-jeugd Friesland in overleg te treden over de bekostiging van de integrale uitvoering van de toegangsfuncties.

Voor het jaar 2001 zijn wij van plan uit de extra middelen een bedrag beschikbaar te stellen voor de verdere uitbouw en intensivering van de samenwerking op het terrein van de toegang tussen de Stichting Jeugdzorg Friesland en de GGZ-jeugd Friesland. Het betreft in eerste instantie de bekostiging van een deel van de kosten van de hiervoor genoemde adviseur en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

Zowel voor de besteding van de middelen voor 2000 als voor volgende jaren maken wij een voorbehoud in verband met mogelijk bindende afspraken die in dit verband op landelijk niveau tussen partijen zullen worden gemaakt. 

4. Verdere optimalisering samenwerking op gemeentelijk niveau 

Mede naar aanleiding van de Regiovisie Jeugdzorg van de Provincie Fryslân zijn de contacten en overleggen tussen het provinciaal bestuur en provinciaal werkende instellingen enerzijds en gemeentebesturen en op gemeentelijk niveau werkende instellingen anderzijds sterk toegenomen, teneinde een gezamenlijke toegang tot de brede jeugdzorg te realiseren.

Het doel, zoals geformuleerd in de Regiovisie Jeugdzorg, is een toegangsorgaan te realiseren, dat de toegang tot de jeugdzorg uitvoert en dat werkzaam is, zowel op provinciaal/regionaal niveau als op gemeentelijk/lokaal niveau en welk orgaan zal moeten samenwerken met instellingen op aanpalende terreinen als onderwijs, maatschappelijk werk, thuiszorg, politie etc. 

In 1999 hebben de provincie Fryslân en de Vereniging van Friese Gemeenten in een gezamenlijke brief alle gemeentebesturen in Fryslân aangeschreven, met het verzoek projectvoorstellen in te dienen, die gericht zijn op de verdere uitbouw en ontwikkeling van de toegang tot de jeugdzorg, zoals beschreven in de Regiovisie Jeugdzorg.

Er zijn 6 projectvoorstellen goedgekeurd en van start gegaan. Het betreft projecten in de gemeenten Lemsterland, Achtkarspelen, Tytsjerksteradiel, Heerenveen, Smallingerland en Sneek. Daarnaast zullen de overige gemeenten in Fryslân als ‘volggemeenten’ deelnemen in het overleg over de uitvoering van de pilot-projecten en over de ontwikkelingen in jeugd(zorg)beleid. 

De pilotprojecten zijn gericht op de volgende aspecten van de toegang:

  1. de verbetering van de bereikbaarheid en toegankelijkheid op lokaal niveau, o.a. door binnen de bestaande structuren een laagdrempelig gemeentelijk loket/bureau op te richten, waar jeugdigen, ouders en andere bij jeugd betrokkenen, terecht kunnen met vragen over opvoeding of aanverwante onderwerpen en zo nodig worden doorverwezen. De functies advies, informatie, consultatie en doorverwijzing staan hierbij centraal;
  2. de verbetering van de samenhang tussen lokale voorzieningen onderling en met regionale voorzieningen, de verbetering van het verwijzingssysteem tussen voorzieningen en de verbetering van de aansluiting en afstemming met de regionale vestigingen van het Bureau Jeugdzorg. Het betreft de koppeling tussen het gemeentelijke/lokale niveau en het provinciale/regionale niveau;
  3. de verdere uitbouw van preventieve en vrij toegankelijke licht ambulante taken voor jeugdigen en gezinnen. Het betreft functies die door op gemeentelijk niveau werkzame voorzieningen in samenhang met of vanuit het gemeentelijk loket/bureau in afstemming met het Bureau Jeugdzorg worden verricht;
  4. de oprichting van een nieuwe regionale vestiging van het Bureau Jeugdzorg in Heerenveen, naast de al bestaande vestigingen in Leeuwarden, Drachten en Sneek, die in beginsel zowel regionale als gemeentelijke aspecten van de toegang uitvoert (zie ook hierboven onder 2). Ten behoeve van een goede spreiding over de provincie is het noodzakelijk een vestiging in Heerenveen te openen, waarvoor in het verleden de financiële middelen ontbraken. Op dit moment wordt onderzocht welke consequenties dit heeft voor de overige vestigingen van het Bureau Jeugdzorg. 

Een deel van de extra middelen die wij van het Rijk ontvangen, zullen wij besteden aan de verdere uitbouw van de relatie tussen provinciaal werkende instellingen en voorzieningen enerzijds en gemeentelijk werkende instellingen en voorzieningen anderzijds. In 2000 betreft dit vooral de financiering van een deel van de kosten van de gestarte pilotprojecten.

Tenslotte besteden wij een deel van de extra middelen aan de financiering van een viertal projecten, die eveneens in dit verband zijn gestart, te weten het Project Buurtscholen in Leeuwarden, het Project Onderwijs – Jeugdhulpverlening, die beide op verschillende plaatsen concrete wederzijdse participatie vanuit het Bureau Jeugdzorg in het Onderwijs inhouden, het Project Jeugdcriminaliteit, in welk kader verschillende organisaties samen werken en het Project de Werkplaats te Sneek, in welk kader jongeren (weer) naar school of aan het werk worden geholpen. 

Ook ten aanzien van deze activiteiten geldt, dat wij door inzet van de middelen hiervoor verwachten, dat tan aanzien van andere activiteiten de wachtlijsten en –tijden zullen verminderen.

TERUG